Ds. R.C.G. Troelstra (1901-1993), (zoon van dr. A. Troelstra (1867-1933), herv. pred. te Willemsoord 1897, Burgwerd 1901, Utrecht 1904, ’s-Gravenhage 1911-1928. Anne Troelstra promoveerde RUU 1901 bij S.D. van Veen over De toestand der Catechese in Nederland gedurende de vóór-reformatorische periode] en neef van dr. G. Smit (o.a. te Makkum), was herv. pred. te Varik 1927, Halle 1933 en Wageningen 1943-1966), had intensief contact met ON tijdens diens laatste levensjaren en hij hielp hem met de drukproeven van Gestalte en Geest.
Uit zijn persoonlijke herinneringen vertelt Troelstra: ‘Mijn vader heb ik ’t eerst over de bijzondere gaven van Noordmans horen spreken... Mijn vader en mijn oom waren als onderwijzer vrienden geworden, gingen beiden later (via ‘Doetinchem’) theologie studeren. Noordmans zei mij een keer: ‘Ik zie je vader en Smit nog samen binnenkomen’ (op een vergadering waarschijnlijk). Dat merkte je telkens: Hij ‘zag’ Gunning nog een bepaald gebaar maken, De la Saussaye kijken enz. In onze studententijd hoorden we natuurlijk van de ontmoeting, die Barth al in zijn begintijd hier had gehad met een aantal mensen (= het bezoek van Barth aan Amsterdam in 1926). Noordmans had daarbij ook zijn vragen gesteld. Barth legde onmiddellijk zijn pijp neer: ‘Das sind erst wichtige Fragen; Sie sind ein ausserordentlich guter Kenner meiner Theologie!’. Er zijn enige tientallen jaren voorbijgegaan, waarin ik Noordmans zo goed als nooit persoonlijk heb ontmoet. Wel een keer heel lang geleden, ik meen op een conferentie op ‘Hardenbroek’, toen nog NCSV-centrum. ’t Ging even over een artikel van hem, dat ik had gelezen. Hij vroeg mij: ‘Kon je meekomen?’ Ik dacht: gelukkig niet: ben je het er mee eens? Wel heb ik Noordmans vaak in die tijd gezien, met grote aandacht naar hem gekeken, b.v. op de predikantenvergadering in Utrecht, waar hij als bestuurslid achter de tafel zat, en met zijn gereserveerde gelaatsuitdrukking een spreker volgde. Het oneerbiedige beeld kwam bij me op van de grote Sint Bernardshond, die in volkomen rust, maar klaar wakker ligt te kijken, en straks opstaat en langzaam op iemand afgaat. In de tijd, dat ik predikant was in de Achterhoek (1933-1943) zag en hoorde ik Noordmans natuurlijk geregeld op de classicale vergadering in Zutphen. Ik had toen natuurlijk al zijn Geestelijke Perspectieven. Ik werd toen wel gehinderd door de gedachte: hoe grijpt dit nu in b.v. in de historisch-kritische bijbelbeschouwing, de in ons ‘gereformeerde volksdeel’ levende predestinatiegedachte e.d. Noordmans was tijdens zijn predikantschap in Laren lid van de ‘Regenboog’. Ik was er geen lid van (men moest er voor gevraagd worden), maar hoorde wel, dat als de andere collega’s zich wilden inspannen om iets van hem te ontvangen, hij er juist was om, na al zijn studie, zich wat te ontspannen. Verder vroeg ik me af, hoe zouden zijn catechisaties zijn (die moeten toch druk bezet zijn geweest in zo’n grote Achterhoekse gemeente, waar ieder belijdend lidmaat wordt) en zijn preken...? Ik heb wel eens gedacht: wat hij daar [= in Woord en Wereld] van De Hartog, de debater, opmerkt (In ‘Kroniek’, WW. 1 (februari 1939) nr. 1, 51, VW 4, 248). Noordmans schrijft dan over de ervaringen van De Hartog bij een conventikel dat hij in zijn Utrechtse studententijd bezocht: ‘Toen ook vooral heeft hij die met metafysische kelder in zich zien uitbouwen, waaruit hem, zwaargewicht-bokser die hij was, die diepte-argumenten werden aangereikt, waarmee hij later in het heetst van het publiek debat of op de hoogtepunten van een bijna extatische bezieling, met onfeilbare zekerheid werd bediend.’) geldt misschien op andere wijze ook van hem: feilloos werden hem uit een kelder van zijn geest de argumenten (bij Noordmans dan beelden en gedachten) aangereikt. Ik heb me wel eens een ontmoeting tussen Noordmans en Goethe voorgesteld: hoe hij dan ook in volkomen rust naar de geestelijke beweging van zijn gesprekspartner Bileam zou kijken. En ik heb ook wel eens gedacht: Noordmans is een ‘demonische’ mens (in antieke zin dan, door een daimonion geleid). In die tijd behoorden collega Noorman ((geb. 1902), hervormd predikant te Borculo 1928 en Zaandam 1943-1968) en ik tot de z.g. 100 man van Kraemer, die met een soort mandaat van synode en classis alle kerkeraden bezochten om hen op te wekken zich in eigen gemeente weer ten volle bewust te worden van het belijden en het apostolaat der kerk. Zo moesten wij in de classis Zutphen ook naar Laren! We zagen er wel tegen op, maar het verliep toch goed, al liet hij ons wel voelen het een enigszins vreemde figuur te vinden. Na afloop sprak hij er nog over - ’k weet niet meer in welk verband, ’t is ook maar een kleinigheid - dat bij hem in Laren, als hij na de zondagmorgendienst naar huis ging, de ouderlingen en diakenen nog wel achterbleven in de consistoriekamer voor gesprek; hij zei: ‘ik vind dat liturgisch niet juist’. Toen ik eens met vacantie in Friesland was en op een zondag in Suameer kerkte (Noordmans was toen al lang in Laren) vroeg ik bij het uitgaan van de kerk een oudere vrouw, of zij zich ds. Noordmans nog goed herinnerde (het lag voor haar toch wel een kleine 40 jaar terug). Ja zeker, zei ze, dat was een eerlijk man. In de tijd, dat ik in Wageningen predikant was en een rondgang maakte langs de kleine ziekenzalen en ook langs de particuliere patiënten, die bezoek van een predikant wensten [het was altijd een heel kort bijna liturgisch bezoek, afgesloten met schriftlezing en gebed], zo trof ik opeens op een zaterdagavond Noordmans aan, vanuit Lunteren daarheen gebracht. Hij lag er alleen. Weer voelde ik me beklemd, maar begreep, dat ik rustig het voor die avond gekozen bijbelgedeelte moest lezen. En dat was ook helemaal goed. Alleen vroeg hij me van te voren ‘Zeg Troelstra, je gaat toch geen lang stuk lezen?’ Ik geloof, dat dit samenhing niet met een zich erg ziek voelen, maar juist met een zich betrekkelijk gezond en normaal voelen, met het handhaven van een quant-à-moi en met een zielzorgerlijk niet betast willen worden ...’ ‘Ik heb die gelegenheid aangegrepen om Noordmans te zeggen, dat het toch bijzonder waardevol zou zijn, als al de meditaties en artikelen uit In de Waagschaal verschenen na Gods Poorten(1949) gebundeld zouden worden. Bartels uit Amersfoort en ik wilden daar het werk wel voor doen. Bartels trok zich weer terug uit tijdsgebrek en kennende Noordmans’ tijdrovende preciesheid in deze dingen. Noordmans had er oren naar en zo begon een periode van samenwerking - natuurlijk pas na het verblijf in ‘Ziekenzorg’. Dr. Hissink, de chirurg, had wel opgemerkt, wat een bijzondere patiënt hij in Noordmans had. Hij besprak met hem een eventuele operatie. Noordmans wilde dit tenslotte toch niet. Hij vergeleek tegenover mij zijn gezondheid met een aantal munten in zijn hand. Hij zei: ‘Die wil ik liever voorzichtig één voor één uitgeven; bij een operatie loop ik de kans, dat ik ze alle tegelijk kwijt raak’. In verband met de uitgave van Gestalte en Geest ben ik dus vaak naar Lunteren gegaan. De indeling in ‘Delen’, onderverdeeld in ‘Boeken’, is natuurlijk geheel van hem zelf. Het waren altijd korte bezoeken. Hij was altijd op bed. Ik geloof niet, dat hij een radio bij zich had staan. Het is nooit in me opgekomen ‘collega’ tegen hem te zeggen. Ik zag altijd wat tegen het bezoek op. Het werden nooit bepaald gesprekken over theologische onderwerpen. Hij stuurde zijn zoon eens naar mij toe in Wageningen met drukproeven, met de bedoeling, dat we tegelijk wat nader in contact zouden komen. Maar we waren beiden, ieder op zijn eigen manier, te terughoudend. Het zakelijke was in een ogenblik afgewerkt. Later hebben we er om gelachen (Noordmans ook). In Noordmans zelf bleef ik het sterk gereserveerde voelen, en het ging samen, als ik het zo mag noemen, met een verlegen en verbaasde glimlach. Nog een paar kleine herinneringen. Het was hem in de tijd, dat hij in Lunteren nog kon kerken, wel eens te machtig geworden, hoe de pastor loci, ds. van Schuppen ((1883-1968), hervormd predikant te Groot-Ammers 1918, Oudewater 1926 en Lunteren 1929-1953), die van een Gereformeerde Bondsmentaliteit ‘bekeerd’ was tot een zuiver reformatorische geesteshouding (de emeritus dr. G. Oorthuys was bij hem ouderling!) onafgebroken tegen die Gereformeerde Bondsmentaliteit in de prediking te velde trok. - Ik herinner me nog, hoe hij, sprekende over Rome in de toekomst zei, met een gebaar van zijn wijsvinger (als ’t ware tot doorlopen manend): ‘Die paus moet natuurlijk weg’. Noordmans’ vader was een confessioneel man, Hoedemakeriaan, meen ik. Noordmans zei: wat is daarvan bij mij geworden in het kwadraat? En wat moet het dan bij Johan wel zijn in de 3de macht (zeker denkend aan diens conferencier-gaven)?’↩