Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 4 · p. 420–426

Weergave

Augustinus over het Credo

door dr. A. Sizoo en dr. G. C. Berkouwer1

Dr. Sizoo zet in dit boek zijn vertaling van Augustinus voort. Thans worden gegeven: het Handboekje (Enchiridion) en zes andere uitleggingen van de Apostolische geloofsbelijdenis. Van die laatsten zijn er vijf, die als toespraken tot doopleerlingen werden gehouden. De overblijvende, Het geloof en het symbool, is een uitwerking van een toespraak, die Augustinus voor een concilie hield. - Vooraf gaat een Inleiding van de vertaler en een beschouwing van dr. Berkouwer over Augustinus en het Credo.

Deze laatste wijst er op dat de betiteling van Augustinus als 'de eerste moderne mens' (Harnack) niet houdbaar bleek.a Zij hangt samen met een streven in de dogmageschiedenis om de vroomheid op de plaats van het geloof te stellen. De hogere kennis, die van het dogma uitstraalt, wordt dan verdrongen door een fosforesceren van gemoedstoestanden, dat voor modern zou moeten gelden.b - Dr. Berkouwer zoekt verder aan te tonen, dat de kritiek op onze geloofsbelijdenissen voor het Apostolicum niet kan blijven staan.c Wanneer men een steeds verdergaande vereenvoudiging toepast, dan leidt dit niet tot het doel. Men zal dan ook de Twaalf artikelen weer moeten omsmelten. Hij wil aantonen dat Augustinus daarvoor geen precedent heeft geschapen als hij in het Handboekje de christelijke leer op de noemers van geloof, hoop en liefde brengt. De kerkvader heeft zich immers steeds nauwer aan de Heilige Schrift verbonden gevoeld. - Naar een andere zijde vestigt dr. Berkouwer de aandacht op het pogen van roomse theologen om Augustinus' strijd tegen Pelagius uit de isolering te bevrijden, waarin deze is geraakt.d Men wil dan aannemelijk maken, dat Rome de gehele Augustinus voor zich kan opeisen, terwijl de aanspraken van Luther en Calvijn eenzijdig zijn. De schrijver betrekt daarin de houding die Karl Barth ten opzichte van de kerkvader heeft aangenomen, als hij het wraakt dat deze de rechtvaardiging ziet als een proces.e

Op deze vragen wil dr. Berkouwer licht doen vallen uit de hier vertaalde geschriften, met name het Enchiridion. Hij wijst er op dat de Schrift hier zulk een beslissend gezag heeft gekregen, al is het dat sommige beschouwingen van Augustinus ons vreemd zijn. Het is een verheugend verschijnsel, dat, door vertalingen als hier worden gegeven en door beschouwingen over het Credo bij de kerkvader, het 'geloof' van Augustinus naar voren wordt gebracht. De persoon van Monnica's zoon stond door de eenzijdige aandacht die aan zijn Belijdenissen werd geschonken te veel op de voorgrond. Zo werd het onmogelijk gemaakt de betekenis te zien, die zijn werk als bisschop en als theoloog voor de kerk en de christenheid heeft gehad. Er begint een einde te komen aan de romantiek waarin deze geweldige figuur was ingesponnen geraakt. Wat hijzelf bedoeld had als een biecht voor God en de gemeente, een bekentenis van wat hij was en niet meer wilde zijn; een schuld, waarvoor hij vergeving kreeg - dat werd opgevat als een autobiografie, een zelfportret, waaruit men hem het best zou kunnen leren kennen. Aan deze misvatting komt langzamerhand een einde en het hier aangekondigde boek kan daartoe meewerken.

Daardoor komt de studie van Augustinus in het gelid met die over de gehele oudere christenheid. Over de gehele lijn is men tot grotere objectiviteit gekomen. Het moderne Jezusbeeld maakte plaats voor de eschatologische opvatting, met het Koninkrijk der hemelen als inzet. En ook de oude kerkidee bleek massiever te zijn dan bijv. Sohm2 zich dat voorstelde.

Daarmee is dan tevens gegeven, dat sommige schatten van het oude christendom ons vreemd zullen aandoen. Dr. Berkouwer vond dat ook zo bij Augustinus. Dat is volkomen normaal en is in overeenstemming met wat voor de gehele oude christenheid geldt. Het komt er op aan dit vreemde te assimileren zonder het te moderniseren. Dr. Berkouwer erkent dit, ja betoogt dit juist als hij aan het slot van zijn opstel schrijft: "Het gezichtspunt: 'Augustinus de eerste moderne mens' is voor de kèrk zonder enig licht."g Wanneer het er op aan komt de kerkvader tegen thomistische annexatielust te verdedigen, sluit hij zich verder gaarne aan bij hen, die op een objectief-historisch onderzoek aandringen.h Wanneer Rome soms opkomt voor de 'natuurlijke' mens en aan Augustinus een 'onzuiver pessimisme' verwijt, dan komt hij daartegen op.i Hij wijst er op dat het jansenisme gelegenheid kreeg op een donkere rest in Augustinus te wijzen, die de kerk had laten liggen.j

Maar dit jansenisme laat ons ook bijzonder duidelijk zien, welke spanningen er ontstaan als het vreemde in de Oudheid geassimileerd moet worden zonder het te moderniseren. Voor Port-Royal is het wezen van de genade het best met het Franse epitheton 'terrible' weer te geven. Een herinnering aan de donkere resten, die Rome bij Augustinus liet liggen, geeft ons ook het 'horribile', dat Calvijn zet bij het decreet Gods in de predestinatie.k En toch is er tussen het jansenisme en Augustinus en tussen het calvinisme en deze kerkvader en tussen jansenisme en calvinisme onderling een zo groot onderscheid dat men gerust van verschillende werelden kan spreken.

Wanneer ik iets mis in de beschouwingen van dr. Berkouwer dan is het een tekort in het overigens niet ontbrekende besef van deze dingen. Wanneer hij in tegenstelling met wat de moderne theologie en dogmenhistorie deden en met wat Rome bedreef, opkomt voor een objectiever houding tegenover de kerkvader,l met erkenning van het vreemde dat zich daarbij kan openbaren, dan lijkt mij de 'continuïteit der kerk',m waarvan hij spreekt, wat al te gemakkelijk gewonnen.

Wanneer wij onder het 'vreemde' slechts datgene verstaan, wat wij niet meer hebben en ook niet meer willen hebben, zodat het voorwerp wordt van onze kritiek,n dan zal de aansluiting aan de Oudheid ons eerder schijnen te gelukken dan wanneer wij tot het besef geraken, dat het er op aankomt een verhouding te vinden juist tot dat vreemde. Gebeurt dat laatste, dan gaan wij uit de sfeer der theologische oordelen in die der oordelen Gods over. En met die oordelen Gods gaat de kritiek der Heilige Schrift en der Oudheid over ons heen op een wijze, die in staat is veel van wat ons vreemd geworden was weer eigen te maken. Zo zullen wij tenslotte ook een verhouding tot Augustinus moeten vinden. Hij heeft de kerk nog veel te zeggen.

En nu heb ik nog niets gezegd over de vertaling van dr. Sizoo. Ik zou kunnen volstaan met te zeggen dat zij uit goede handen komt. Hij heeft als vertolker van Augustinus zijn sporen verdiend. Toch zij het mij vergund een paar opmerkingen te maken.

Allereerst dan, dat het geen kleinigheid is Augustinus te vertalen. De band tussen woord en wezen was in de Oudheid enger dan later. De betekenissen, die het Griekse woord 'logos' kan hebben, getuigen daarvan. Daarmee hangt voor een deel samen de bekoring, die er van de klassieken uitgaat. Dit geldt voor het antieke kunstzinnige proza evengoed als voor de poëzie. Het is niet alleen uitdrukking van gedachten, maar wil bekleding geven aan het leven in veel bredere zin; zelfs het lichaam kan daarbij niet geheel buiten rekening blijven. Het geschrevene wil gesproken worden en volgens Cicero is de welsprekendheid een handeling 'als 't ware van het lichaam'.o

Daardoor wordt het karakter van het antieke proza bepaald. Het mag in zeer brede zin liturgisch heten en houdt het 'midden tussen zingen en spreken' (Norden).p3 Bovendien wordt dit ritmisch proza dan nog meer opzettelijk door allerlei figuren versierd.

Nu heeft Augustinus in 386 eens en voorgoed afscheid genomen van de retoriek, waaraan vroeger zijn leven was gewijd. Voortaan stelt hij zich de leerwijze des bijbels, waaraan hij zich vroeger ergerde, tot voorbeeld. Niet de wijze van zeggen stond volgens hem daarbij op de voorgrond, maar de mate van klaarheid waartoe de zaak gebracht werd. Het ging niet om de schoonheid maar om de waarheid. De vorm werd niet versmaad. Maar evenmin werd er mee gepraald. De kerkvader noemt dat paradoxaal een nauwkeurige slordigheidq. De taal en de zeggingswijze mogen enige schade lijden als de zaak de lezer of hoorder maar duidelijk wordt.

Dan zal gebeuren, wat Augustinus als het kenmerk van de bijbelstijl aangeeft, dat de woorden, waarmee de dingen worden gezegd, niet door de spreker (of schrijver), maar 'door de zaken zelf en als vanzelf schijnen toegevoegd te worden'r Door de kerkvader wordt dus het mystieke karakter van de stijl, de nauwe vereniging van woord en zaak, die wij bij de Ouden vonden, in de Heilige Schrift nog in sterkere mate aanwezig geacht. Deze schrijfwijze zoekt Augustinus zich eigen te maken. Een wijsheid des harten, die op de voet gevolgd wordt door haar dienstmaagd, de welsprekendheid.

Bij de bisschop van Bóne4 doordringen elkaar op een zeldzame wijze de welsprekendheid en de stijl van de school, waarin hij tot op zijn drieëndertigste jaar een meester was, en die van de kerk, die hij de tweede helft van zijn leven diende. Men kan zeggen dat de eerste hem tot natuur geworden waren; de laatste volgden voor hem uit de leer. Leer nu in de allerbeste betekenis genomen, als één zijnde met de liefde.

Zo ziet men dan de herder van Hippo altijd bezig zich aan te passen aan het begrip van eenvoudigen en soms ook van geleerden. Hij leert hen wat de kerk heeft te zeggen. Door een heilige tucht oefent hij zich in het spreken en schrijven van de waarheid.

Deze strijd tussen natuur en leer in de geschriften van Augustinus brengt bijzondere moeilijkheden mee bij een vertaling. Zal men de kerkvader, als de natuur eens sterker is dan de leer, tegen zichzelf in bescherming nemen en de stijlfiguren, als hij ze wat rijkelijk aanbrengt, onvertaald laten, dwz. ze in het Nederlands verwaarlozen? Vaak zal men toch genoodzaakt zijn dat laatste te doen, omdat het onmogelijk is ze weer te geven in onze taal. Maar dan die gevallen waarin het wel mogelijk is? - Moet het te doen zijn enkel om de waarheid in zijn geschriften te vertolken, ook als hij zelf een kunstige vorm geoorloofd of dienstig heeft geacht, of als de natuur sterker was dan de leer?

Dat zijn moeilijke problemen voor een vertaler, die zich splitsen in een groot aantal vragen. Wat in de ene taal mooi klinkt en dienstig is om te overtuigen, is het niet in een andere. En wanneer daarin ook vormen bestaan die dezelfde dienst kunnen bewijzen, dan zijn zij meestal heel verschillend. Het is een zware taak om voor zichzelf voor zulk een vertaling een methode te scheppen, die voldoet. Reeds de tijd, die voor een vertolking redelijkerwijze beschikbaar mag worden geacht, stelt hier grenzen.

Voor Augustinus was het een gewetenszaak, in hoeverre hij bij het schrijven de school met de kerk mocht vermengen. Alle kerkvaders stonden voor die vraag, maar bij de bisschop van Hippo komt zij 't naast bij een oplossing. Kan een vertaler ook iets weergeven van wat zich daarbij op de bladen van het boek in de taal afspeelt, of moet hij van meet af aan daarvan afzien?

Ik denk bijv. aan een paar zinnen uit paragraaf 92 van het Handboekje, waarin de vraag behandeld wordt of degenen die verloren gaan, bij de Opstanding ook zullen opstaan met lichaamsgebreken, als zij die hadden. Augustinus schrijft dan dat die vraag onbelangrijk is. Hun leven is toch geen leven en hun onverderfelijkheid geen onverderfelijkheid. Hij zegt dat in een paar ritmische zinnen, waarin retorische figuren worden toegepast. Hier is een treffende verbinding van kracht en kunst, van waarheid en schoonheid. In de vertaling van dr. Sizoo blijft van de vorm vrijwel niets over; alleen de waarheid wordt vertaald. Ik geef toe dat het ook niet gemakkelijk zou zijn geweest anders te doen. Maar hier is toch wel een zeer rustige vertaling gekozen. - Op een andere plaats, in paragraaf 49, zoekt hij de woordkunst van Augustinus wel weer te geven. De kerkvader speelt daar met het woord 'medelijden'. De vertaler schrijft nu: "Beide dus, zowel Doop als dood, nam Hij terwille van een gewisse uitdeling (?) op zich, niet uit een medelijdenswaardige noodzaak, maar veeleer door een medelijdende wil." Het wil mij voorkomen dat hij hier niet gelukkig is geweest. Het spel met dit woord is op deze wijze in onze taal niet mogelijk. Er zou moeten staan: betreurenswaardig of beklagenswaardig.

Een vertaling op dit punt te onderzoeken vraagt een zeer minutieuze en grondige beschouwing, die ik liever aan een meer bevoegde wil overlaten, ofschoon enige vertrouwdheid met de werken van Augustinus er onwillekeurig toe noopt.

Gemakkelijker is het een vertaling op haar juistheid te toetsen, hoewel daarvoor weer meer een exacte kennis van de taal nodig is. Wanneer ik het dan ook waag tegenover dr. Sizoo op dit punt een paar opmerkingen te maken, dan doe ik dat alleen waar ik een sterk vermoeden van onjuistheid heb. Ik blijf eerst bij de beide zopas aangehaalde plaatsen. In 92 wordt 'interimit' vertaald met 'sterft', waar ik 'doodt' zou willen geven, wat het verband ook vraagt. In 49 wordt 'certae dispensationis causa' overgezet met 'terwille van een gewisse uitdeling', waar ik op taalkundige èn theologische gronden 'een zekere bedeling' (= inrichting) zou willen lezen. Een ander voorbeeld vind ik op een door mij nog niet genoemde plaats, in paragraaf 29 van het Handboekje. Daar leest men dat het getal der heiligen ons onbekend is. Maar, zegt Augustinus, dat getal 'in contemplatione est' van die Kunstenaar, die alles ordent in maat, getal en gewicht. Dr. Sizoo vertaalt hier: "Maar het getal van die burgers ... verkeert in aanschouwing van die Kunstenaar...... alsof die heiligen in een staat van contemplatie Gods verkeerden. Het lijkt mij zonder twijfel, dat Augustinus bedoelde, dat die Werkmeester of Kunstenaar, die alles ordent in maat en getal en gewicht, in zijn schouwen van zijn eigen werk ook het getal der heiligen besloten houdt.

Laat mij nog op een andere plaats de aandacht mogen vestigen. Ik noem paragraaf 53 van het Handboekje. Augustinus schrijft daar, dat wat er geschied is bij Christus' Kruis, Opstanding, Hemelvaart en zitten ter rechterhand Gods, zo is geschied, dat 'his rebus non mystice tantum dictis, sed etiam gestis configuraretur vita christiana'. Dr. Sizoo vertaalt: "dat in deze gebeurtenissen, niet alleen door woorden, maar ook door daden van mystieke betekenis het leven der christenen ... werd afgebeeld." Dr. Sizoo laat het 'mystice' hier zowel op 'gestis' als op 'dictis' betrekking hebben. Ik ben geneigd hier een tegenstelling te vinden tussen de 'res mystice tantum dictae' en de 'res gestae': de heilsfeiten. Die 'res mystice tantum dictae' zijn dan wat in de aanhalingen uit Paulus gezegd wordt. Zij worden in 53 verder ingeleid met 'dictum est', zoals ook in 51 en 52. Maar zij liggen verankerd in de. res gestae van de evangeliën, die in de Twaalf artikelen staan. Uitgangspunt van de redenering is het begin van 52, waar Augustinus spreekt over het grote mysterie van de Doop en waar hij Paulus dit mysterie laat terugbrengen tot de 'vera mors facta' van Christus, het heilsfeit. - Theologisch maakt dit een groot verschil. Wie van de woorden afdaalt tot daden van mystieke betekenis, doet anders dan wie van teksten met mystieke inhoud opklimt tot de heilsfeiten. Augustinus legt hier nadruk op de historiciteit van het christendom; althans zo lees ik deze plaats.

De vragen mogen ten bewijze strekken dat ik de vertaling van dr. Sizoo hier en daar met aandacht en belangstelling heb vergeleken. Gaarne beveel ik dit boek aan.

Voetnoten

  1. a

    A. Sizoo en G. C. Berkouwer, Augustinus over het Credo. Het Enchiridion en andere geschriften over het apostolischsymbool, Kampen z.j. (1941), p. 55. A. von Harnack, o.a. in zijn DG., dl. 3, p. 106 noot.↩

  2. b

    Vgl. a.w., p. 13-16.↩

  3. c

    Zie voor het volgende a. w., p. 17 vv.↩

  4. d

    Zie voor het volgende a. w., p. 30 vv.↩

  5. e

    A. w., p. 39 v. Berkouwer bespreekt hier Barths bezwaar tegen Augustinus' denken over de rechtvaardiging als proces, zoals beschreven door G. C. van Niftrik in diens Sola fide. (Vervolg noot op p. 421.) De rechtvaardigingsleer in de nieuwere theologie, 's-Gravenhage 1940, p. 2 v. Zie voor Barths kritiek op Augustinus het door Berkouwer aangehaalde werk Der heilige Geist und das christliche Leben, in K. Barth und H. Barth, Zur Lehre vom heiligen Geist, München 1930, p. 58-65.↩

  6. f

    A.w., P. 44 v.⚑

  7. g

    Zie p. 420, noot a.↩

  8. h

    *A. w., P. 29. *↩

  9. i

    *A. w., P. 33.*↩

  10. j

    *A. w., P. 34.*↩

  11. k

    Inst. III, 23, 7.↩

  12. l

    Vgl. Augustinus over het Credo, p. 53 v.↩

  13. m

    *A. w., P. 52. *↩

  14. n

    *A. w., P. 45. *↩

  15. o

    Cicero, Orator, 17: Est enim actio quasi corporis quaedam eloquentia.↩

  16. p

    E. Norden, Die antike Kunstprosa. Vom VI. Jahrhundert v. Chr. bis in die Zeit der Renaissance, 2 dln., Leipzig 1898, dl. 1, p. 55: "Dass die Stimme des leidenschaftlichen Redners in der Mitte zwischen der gewöhnlichen Sprache und dem Gesang stehe, galt im Altertum für selbstverständlich."↩

  17. q

    Augustinus, De doctrine christiana IV, 10. MPL. 34, 99. CSEL. 80, 134: Diligentem neglegentiam. De uitdrukking is ontleend aan Cicero, Orator, 23.↩

  18. r

    Augustinus, a. w., IV, 6. MPL. 34, 93. CSEL. 80, 124: Ut verba quibus dicuntur, non a dieente adhibita, sed ipsis rebus velut sponte subiuncta videantur.↩

Eindnoten

  1. 1

    N.'bespreking van A. Sizoo en G. C. Berkouwer, Augustinus over het Credo. Het Enchiridion en andere geschriften over het apostolisch symbool, Kampen z.j. (1941), verscheen (zonder titel) in Stemmen des Tijds 32 (1943) nr. 1, p. 39-44. Het Enchiridion in MPL. 40. CChrSL. 46.

    A. Sizoo (1889-1961), classicus, van 1933 tot 1959 hoogleraar te Amsterdam. Behalve het hier besproken werk bezorgde S. eveneens een vertaling van Augustinus' Belijdenissen (1928), welke door N. werd hooggeschat (zie VW., di. 3, p. 250, noot b).

    G.C. Berkouwer (1903), gereformeerd theoloog, van 1945 tot 1973 hoogleraar dogmatische vakken te Amsterdam. B. was een der eerste gereformeerde theologen die de theologie van Barth in Nederland introduceerden. Hij schreef o.a. Dogmatischestudiën, 18 dln., 1949-1972.↩

  2. 2

    Zie voor Sohm VW., dl. 5, p. 397, noot 5.↩

  3. 3

    E. Norden (1868-1941) was een klassiek filoloog, hoogleraar te Greifswald (1895), Breslau (1898) en Berlijn (1906).↩

  4. 4

    Bisschop van Bóne: Bóne is de vroegere (Franse) naam van de Algerijnse stad Annaba, ten zuiden waarvan de riiines liggen van het oude Hippo, waar Augustinus bisschop was.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Heidegger en AugustinusInhoudDe idee der persoonlijkheid en de Heilige Geest →