261. O. Noordmans aan G.A. Wumkes1
Idsegahuizum, 24 april 1910
Geachte collega,
De belangstelling, die u toont te bezitten in de levensloop van sommige mijner oudere familieleden,2 kan natuurlijk niets anders dan mij aangenaam zijn. Des te meer word ik door de vragen, die u mij stelt, in de knel gebracht. Als neef of zoon staat men tot iemand in zo geheel andere betrekking dan als historicus. In sommige opzichten is men meer kritisch dan de historicus, in andere minder. Het beste brengt men niet op de markt des levens; van datgene wat het meest in ’t oog viel kent men de zwakkere zijden beter dan de buitenstaander. - Op dit ogenblik zou ik onmogelijk een levensschets van mijn vader kunnen geven, tenzij dan een schets van z’n opinies. Veel later zou dat misschien beter gaan. Een exact beeld zou misschien tegenvallen. Uit de aard der zaak hebben de gebeurtenissen uit een rustig leven als dat van mijn vader geen dramatisch karakter. Als familiegeschiedenis belangrijk genoeg, missen ze voor wijdere kring betekenis. Zijn beeld te schetsen als een legkaart van meningen en verhoudingen tot heersende stromingen en beginselen zou een te abstract beeld geven, zonder warmte en leven. Geheel exact kan, dunkt mij, een beeld als dat van mijn vader niet gehouden worden. En daarom is het nog geen tijd, meen ik, zulk een schets te geven. Later, als ‘Wahrheit und Dichtung’3 samen mogen gaan, als men niet geheel als individueel beeld, maar als vertegenwoordiger van een tijd, als type hem mocht tekenen, dan zou de liefde van zoon tot vader mee kunnen werken om warmte te geven en kleur aan ’t geheel. Dan zou hij zich herinneren, welk een fijne beschaving er heerste in zijn ouderlijk huis, vrucht van aanraking met het Réveil. Een beschaving uitgaande van het centrum, van hart en geweten, natuurlijk, eenvoudig, maar van de fijnste soort. Ik zou mij dan herinneren de gematigdheid in het oordelen over personen, de ruimheid van opvattingen, de warmte van gemoedsleven en de stichting van de huiselijke godsdienstoefening. Zonder de invloed van het Réveil dreigen deze dingen ons te ontgaan. Hoe langer hoe duidelijker zullen de beeltenissen van zulke mannen en vrouwen voor onze ogen zich aftekenen. Ze zullen zichzelf idealiseren en zo geschikt worden om getekend te worden. Eigenlijk zou hun beeld mij alleen bevredigen, wanneer het mocht worden gevat in een romantisch raam. Zo fijn zal ik echter mijn pen wel nooit kunnen snijden. Voor een schets was het karakter van mijn vader te weinig hoekig, zijn woorden te weinig markant. Van mijn oom Jacob Noordmans heb ik op dergelijke wijze een algemene notie, geen bijzondere herinnering voor een schets. Omtrent de kerk te Edens is mij niets bekend. Het spijt mij zeer, u zo weinig te kunnen helpen. Waar blijft de Friese roman? Op de wijze van George Eliot?4 Het zou een prachtig genre zijn. Met vriendelijke groeten, Uw dw. collega
O. Noordmans.
(PAL)