911. O. Noordmans aan G.A. Wumkes1
Lunteren, 6 februari 1952
Waarde collega Wumkes,
Nu moet ik toch nog een keer een brief schrijven. Ik las uw autobiografie Nei sawntich jier.2 Ik las het bijna ‘yn ien sîke’3 door. Maar zou ik op dat inhoudrijke boek attenderen in ’t Hollands, terwijl de Friese taal pas zo overvloedig over mij is uitgestort? Dat valt slecht en het klinkt zo stijf. Maar toch moet ik het wel doen. Ik mag het u niet aandoen, dat ik slag op slag fouten maak in de Friese spelling. U dorst vroeger ook geen Friese brief aan Johan Winkler4 te schrijven! Ik zou ook een gevoel hebben alsof ik ieder ogenblik ‘oer de wjok draaie’5 kon. Ik heb niet zoals u, de overgang van de almanak naar Bijbel meegemaakt. Daarom, als ik mij schriftelijk in ’t Fries uitdruk, heb ik de sensatie van op cothurnen6 te lopen en op het toneel te acteren. De woorden ‘heitelân’7 en ‘memmetaal’8 b.v. heb ik in mijn ouderlijk huis nooit horen gebruiken. Als ik ze nu neerschrijf, komt het eerste lid te sterk naar voren. De woorden krijgen daardoor een te grote bewogenheid. Dat gaat met vele andere woorden evenzo en de taal kan daardoor onrustig, zelfs hysterisch worden. Het duurt lang voor een spreektaal cultuurtaal geworden is. Uw boek bracht mij wel helemaal ‘yn ’e kunde’.9 Uw autobiografie werd tevens een beschrijving van mijn naaste omgeving uit de eerste vijftig jaren van mijn leven. Die is nergens zo uitvoerig beschreven. Wat een mensen, die ik van nabij gekend heb. M’n zwager Van Dijk10 uit Gaast, mijn neef P. Eringa11 (er staat foutief D.) uit Goïnga c.a. Mijn andere neef Jan Eringa uit Amsterdam, die de kerk uitliep, mijn neef Jac. Eringa uit Woerden. Jan was een echte Fries, heftig, irascibel, maar een voortreffelijke kerel en een waardig kleinzoon van Jan Piers Eringa uit Edens. Door u beschreven in ’t Réveil.12 Wat een mensen! Daar is ds. Niemeier,13 van wie ik mijn Hebreeuws heb geleerd, rood aan gelopen in ’t gezicht, voortreffelijk docent, zeer oud-modern, maar sympathieker dan zijn blufferige zoon uit Bolsward.14 Notaris Fennema,15 vriend en raadsman van mijn vader, notaris Haagsma16 uit Bozum, aan de andere kant van mijn ouderlijk huis. Boekhandel van Druten en Schaafsma uit Leeuwarden. Ds. Moquette,17 met wie mijn vader in ’t Antifloreenbestuur18 zat. Jacob Campen19 op de ‘Easterdyk’,20 vriend van mijn vader. Van der Weert,21 die in zijn jeugd 70 pond pek kouwde voor de tering, de langste man na Goliath van Gath. Daar zijn zowaar de heer en mevrouw Akersloot22 met mej. Sinding,23 die ik te Hasselt gekend heb, toen mijn zwager Lambers daar predikant was. Toen ik ca 1920 op Vlieland preekte, lag Betsy Berg24 op sterven. Er woei een zware storm en ik moest ’s avonds te West-Terschelling preken. Mijn kinderen hadden ’s middags pret op zee. Pieter Jelles25 voor de sigarenwinkel van Waalkens, spektakel makend, toen de koningin in Leeuwarden was. ’s Avonds bijna handgemeen met zijn vader. Ik zie het eerste nog in de Leeuwarder Courant; een sensatie uit mijn jonge jaren; het dreigend handgemeen staat in zijn autobiografie. Stellingwerf-Jentink,26 stukken schrijvend in de Leeuwarder. Notaris van der Burg,27 mijn buurman te Makkum-Schuzum, enz. enz. Wat een mensen ‘ût ’e kunde’.28 Van Frederika Rutgers29 had ik jaren later gehoord uit uw Bodders30 en nu uit uw autobiografie. Dat is misschien wel de allermerkwaardigste figuur, die er in voorkomt. Een vrouwelijke Gösta Berling. Men wordt er stil van, als men ’t leest. Dat doet mij denken, dat de Friese beweging in de grond een Fries réveil zou kunnen worden, meer evangelisch en minder Paulinisch dan dat van 1517 en dat van begin 19e eeuw. Dat doet mij weer denken aan Titus Brandsma,31 die Friese heilige. Merkwaardig dat de roomsen ook hun Friese heiligen hebben, hoewel ze de volkstalen vroeger uit de kerkdienst hebben geweerd en de liturgie geheel in ’t Latijn plaats heeft. De roomsen houden meer van de evangeliën dan van Paulus. Dat zeide mij ook letterlijk uw leerling en mijn vriend F. van der Meer,32 die begaafde en uitnemende Bolserter. Een ontdekking voor mij was, dat u ook zoveel voor de Ommelander oudheden gedaan hebt. Uw dissertatie33 was mij bekend, maar later met Vinkhuizen34 en Meekhoff Doornbosch.35 Soms krijg ik de indruk dat uw vakanties in Groningen ook geestelijk vacanties waren en dat de Saksische inslag in deze provincie u soms weldadig aandeed. De Fries is zo heel gauw ‘opgelopen’36 en soms geneigd tot krakeel. Men merkt dat ook uit de taal. In de trein tussen Leeuwarden en Sneek zat ik eens met een troepje scholieren. Uit verveling zei één van de grotere jongens ineens: ‘Ik bin lilk, poer, razend, siedend, hagels, kûgels.’37 Maar uw bijbelvertaling, uw vijf en twintig jaar Oude Testament, Dat is een monumentum aere perennius.38 Bogerman redivivus!39 Ik ontbloot in gedachten eerbiedig mijn hoofd. Ik zou meer te schrijven hebben, maar mag het niet langer maken! Met hartelijke groeten,
O. Noordmans.
(PAL)