358. G. Smit1 aan O. Noordmans
Makkum, 16 augustus 1926
Amice frater,
Indertijd heb ik je gelukgewenst met je staan op ’t drietal.2 Ik had gaarne op ’t adres iets anders nog gezet dan er nu op staat, maar ’t is anders beslist. Je zult wel dagen van spanning achter de rug hebben. Je gemoedsrust is natuurlijk dezelfde gebleven, daar ben je gelovige en wijsgeer voor. ’t Blijft toch steeds een grote eer, dat je ’t in de kerkelijke, zeg de geleerde wereld zo ver hebt gebracht. Wat een massa doctoren moeten ’t tegen je afleggen. Ik hoop, dat je doorgaat met publiceren. Je studie over Barth las ik met veel genoegen.3 Wat heeft onze kerk toch weinig dogmatici! Slotemaker de Bruïne4 was ’t niet, Van Nes5 evenmin. Van Rhijn,6 wie ik ’t professoraat wel toevertrouw, is meer historicus, dan dogmaticus. Jij komt er nog ’t dichtst bij. Men heeft wel eens beweerd, dat ethische mensen geen dogmatiek kunnen schrijven. Beschaam die klagende mensen eens. Jij bent nog niet te oud, om ’t geschetter der confessionelen, die ook geen dogmatiek schrijven, te doen zwijgen. Blijf met vreugde pastor en toon je steeds als geboren professor. Hier alles wel. Dit korte schrijven overtuige je van mijn sympathie. Mijn vrouw laat je beiden groeten. Gaarne tt.
G. Smit.
(AN)