381. Th.L. Haitjema1 aan O. Noordmans
Groningen, 31 mei 1930
Zeer geachte ds. Noordmans,
Veel te lang reeds liet ik uw brief,2 zo belangrijk van inhoud, onbeantwoord liggen. Dat ik zo laat antwoord, heeft nu althans dit voordeel, dat ik uw brief eerst lezen en herlezen kon, en de inhoud op mij kon laten inwerken. Ook uw bijdrage in het Ethisch Jaarboek3 heb ik gelezen en herlezen en overdacht naast de resultaten van mijn eigen studiën over Gunnings theologie, welke ik in dictaat-vorm bezit. Voor de overdruk zeg ik u dank. Ik gaf ze ter lezing aan een jong-ethische predikant, die zich principieel aan mijn kant stelde in het vraagstuk van de reorganisatie der kerk,4 en dwars tegenover de hoofdkoers van het Algemeen Weekblad5 kwam te staan. Laat ik beginnen met uit te spreken, dat ik mij tot op aanzienlijke hoogte met u geestverwant gevoel. Ik geloof echter, dat u een van de weinigen onder de ethischen zijt, die de lijn van La Saussaye Sr. en Gunning waarlijk begeren door te trekken. Verreweg de meeste tegenwoordige ethischen, ook de leidende figuren onder dezen, zijn principieel niet anders dan Religionswissenschaftler, die met hun traditioneel-theologische tanden de spits der godsdienstwetenschappelijke consequenties stelselmatig trachten af te bijten. Dat het reppen van mogelijke herziening der kerkorde in de richting van de episcopale kerkvorm dan ook aanstonds zo veel weerklank bleek te wekken, zegt mij niet veel. Dat is voor mij juist nogal bedenkelijk gelet op de godsdienstwetenschappelijk geprikkelde neiging tot oudkerkelijke catholiciteit. Al te gemakkelijk grijpt men daarbij tot achter de Reformatie terug. Overigens ben ik evenmin als Calvijn geneigd om te beweren, dat de presbyteriale kerkvorm de enige van God gewilde vorm van kerkinrichting zou wezen. Calvijn heeft m.i. volkomen terecht in meer dan één brief de episcopaalse vorm voor mogelijk geacht. Wat ik echter ernstig betwijfel, dat is, dat ons Nederlands kerkelijke leven met zijn eigenaardig verleden ooit passende aansluiting zou kunnen geven aan die episcopaalse kerkvorm. En in geen geval gevoel ik enige drang om naar enige vorm van episcopalisme te grijpen om uit het epineuze vraagstuk van de leertucht uit te komen. Ik kan u niet toegeven, dat de episcopaalse vorm ons de tucht aannemelijker zou kunnen doen worden als recht van Boven komende ... Zou hier ’t gevaar niet dreigen, dat de ‘aannemelijkheid’ hier vroeg of laat een aannemelijkheid naar het vlees zou blijken? Zeker, ik gruw ook van vergaderingen-tyrannie. Maar ik geloof, dat ik even erg zou gruwen van de tyrannie van de éne episcopus! Ik kan niet inzien, dat decisies in leertuchtvragen ooit anders aannemelijk zouden kunnen zijn dan door de ergernis heen. Ook hier geldt, dat de deciderende Geest van de Christus-Koning in de kerk zich doorzet in het Woord in dienstknechtsgestalte, d.w.z. door de ergerlijke verwarring van een vergadering van presbyters heen. Leefde ik in een episcopaals georganiseerde kerk, dan zou ik deze decisies des Geestes evenzeer hebben te aanvaarden door het Woord in dienstknechtsgestalte heen, in dit geval: het woord van de episcopus. Deze kijk op het kerkprobleem - midden in de verwarring van ons kerkelijk leven - hoort m.i. wel klaarlijk bij het polair systeem, dat ik in mijn referaat over Verzoening6 verdedigd heb. Dat ik u in ons korte mondelinge gesprek op de predikantenvergadering niet toestemmen kon, dat men zo maar rechtstreeks lijnen van de dogmatische bezinning op het stuk der verzoening naar de niet meer uitsluitend dogmatische (doch ook kerkrechtelijke) vragen der Kerkinrichting trekken mocht, is toch niet verkeerdelijk inconsequent? Men kan wel zeggen, dat het kerygma der gemeente de gloeiende kern van het dogma, ook van de leer der verzoening is. Maar men mag niet zeggen, dat het kerygma op dezelfde wijze de gloeiende kern van een kerkorde is. Kerkrecht is en blijft wat anders dan dogmatiek, al is het dogma over de Kerk (de Kerk als subject en object der geloofsbelijdenis beide) de vooronderstelling van alle principieel kerkrecht. Ik verstond u ’s avonds in Utrecht misschien verkeerd, maar daar begreep ik u zo, dat u wenste, dat ik toestemmen zou, dat dezelfde polaire gereserveerdheid, die ik tegenover de juridische beeldspraak inzake de verzoening (als satisfactie) gelden liet, ook te gelden had ten opzichte van het jus in ecclesia instituta. En dit kan ik niet toestemmen, om de eenvoudige reden, dat in de geinstitueerde kerk het jus geen beeldspraak is, maar gelden moet overal waar men het snijpunt van het foedus gratiae en het foedus naturae in het kerkrechtelijk te ordenen kerkelijk leven doortrillen voelt. Daarom moest ik indertijd in één der stellingen van mijn Gebondenheid en vrijheid, enz7 schrijven: ‘de kerk heeft als instituut steeds een zijde, die naar het dwingend recht is toegekeerd.’ Na de verwerping der reorganisatie-voorstellen zie ik het als een zaak van groot gewicht, dat in onze kerk allen, die de eerste twee grondlijnen van het reorganisatie-rapport8 van harte als juist zien, (vgl. mijn Reorganisatie en Leertucht)9 elkander zullen weten te vinden, om dan samen tot meerder klaarheid trachten te komen en als een front op te dringen tegen de stroom van individualisme en beschroomd humanisme, die kerkontbindend werkt vaak onder de schoonste schijn. Gaarne had ik u dit alles reeds eerder geschreven. Ik druk u in gedachten de hand als medestrijder tegen de hierboven gesignaleerde kerk-ontbindende machten, ook al blijft u kritisch en sceptisch staan tegenover onze reorganisatiebeweging. Met vriendelijke groeten Uw dw.,
Th.L. Haitjema
(AN)