Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

679. Th.L. Haitjema1 aan O. Noordmans

Groningen, 25 september 1941

Hooggeachte dr. Noordmans,

Het is enigzins anders dan u zich dacht: ik ben sinds 15 juli l.l. pre-adviseur ter Synode en zal dus ook de volgende week van advies hebben te dienen in Den Haag. Uw bezwaren tegen het reglementen-complex2 zijn goeddeels de mijne; ook ik acht ‘overrompeling’ der kerk met deze nieuwe wetten3 hoogst ongewenst. En de standplaatsfiguur4 is ook naar mijn mening ongereformeerd. Ik word bovendien meer en meer van overtuiging, dat deze standplaatsfiguur ook zozeer een nieuwigheid is in onze huidige reglementaire wetgeving, dat ze niet doorgevoerd mag worden zonder wijziging van het Algemeen Reglement. De vrees voor een ‘te persoonlijk bestuur’, waarvan u aan het slot van uw brief spreekt, is er ook bij mij wel, maar het is moeilijk deze vrees in geding te brengen, zolang men officieel te doen heeft met dr. Wagenaar, directeur van de Raad van Beheer, hoofdontwerper dezer voorstellen,5 en een figuur, die niet de indruk maakt ‘regent’ te willen spelen.6 Ik zal volgende week op uitstel tot volgend jaar aandringen.7 Mocht niettemin het voorstellen-complex in de tweede ronde toch aangenomen worden, dan vind ik het in ’t geheel niet vreemd, wanneer b.v. u zich met een vertrouwelijke circulaire tot alle leden der Provinciale Kerkbesturen gingt richten - voor de eindstemming natuurlijk. Dat is thans zinvoller dan ooit, omdat de leden der Provinciale Kerkbesturen waarschijnlijk ook te overwegen zullen krijgen de laatste Memorie van Toelichting van de Commissie ad hoc. Met vele hartelijke groeten, Hoogachtend, uw dw.

Th.L. Haitjema.

(AN)

Noten

  1. 1

    Th. L. Haitjema, zie brief nr. 352 (24.6.1926), n. 4.↩

  2. 2

    Op 29.7.1941 werd begonnen met de behandeling van het ‘Rapport over de consideratiën der Kerk over de wetsontwerpen inzake de rechtspositie van de predikanten in de Nederlandsche Hervormde Kerk’ van de zgn. Commissie ad hoc (Hand. Syn. 1941, 218 -249), waarin o.m. het verplichte emeritaat op 65 jaar werd gesteld.↩

  3. 3

    Haitjema maakte in de vergadering van 29.7.1941 bezwaar tegen de implicaties van een van de voorstellen van de commissie van rapport, nl. de Provinciale Kerkbesturen opnieuw om consideratiën te vragen: ‘Ten aanzien dezer voorstellen heerscht er in onze Kerk bij velen het onaangename gevoel van overrompeld te worden met deze nieuwe wetsvoorstellen.’ Hij stelde dat er niet al te veel protestbetuigingen waren binnengekomen, doordat men er van overtuigd was dat ‘de Synode niet anders zou zoeken dan zulk een regeling, waarbij de Kerk alsnog zou kunnen gehoord worden.’↩

  4. 4

    De standplaatsfiguur hield in dat, alvorens tot het beroepen van een predikant kon worden overgegaan er eerst een predikantsplaats gevestigd diende te zijn. Blijkens de ‘Memorie van antwoord’ knoopte het synodelid Beversluis aan bij een betoog van ON (Hand. Syn. 1941, 467), die gesteld zou hebben (Hand. Syn. 1941, 468): ‘... dat de predikant, die al zetboer van de academie zou zijn, op deze wijze tot zetbaas van de Synode is gemaakt ...’ In zijn pre-advies voor de synode gaf Haitjema een nadere argumentatie ter ondersteuning van de opvatting van Beversluis en ON (Hand. Syn. 1941, 383vv.; vgl. 381).↩

  5. 5

    In zijn rede ter zitting 1.10.1941 sprak Haitjema in de eerste plaats zijn grote waardering uit voor de arbeid van de commissie en uitte zijn bewondering ‘voor de bekwame hand van den tegenwoordigen directeur van den Raad van Beheer, welke zoo goed speurbaar is in het Reglementen-complex en Memorie van Antwoord’ (Hand. Syn. 1941, 379).↩

  6. 6

    H.M.J. Wagenaar (geb. 1901), jurist, directeur van de Raad van Beheer 1930-1967 (vanaf 1951: Raad voor de predikantstraktementen), lid en secretaris van de cie. voor beginselen van kerkorde 1940-1945, vanaf 11.12.1945 van de cie. voor de kerkorde, vanaf 13.7.1949 lid van de werkgroep ‘Kerk en Overheid.’ Zie ook VW 6, 575v., n. 9. Vgl. De Hervormde Kerk 6 (1950) nr. 49, 3 (L.H. Ruitenberg).↩

  7. 7

    Concluderend drong Haitjema in zijn rede bij de synode op een jaar uitstel aan (Hand. Syn. 1941, 386): ‘Zou het ... niet de aangewezen weg zijn, deze Reglementsvoorstellen, mèt de daarbij voorgedragen wijzigingen te bespreken, er een besluit over te nemen, en al hetgeen deze Synode voor hare rekening nemen kan, weer als voorloopig aangenomen wetsvoorstel de Kerk in te zenden, opdat de Synode van 1942 de voorstellen definitief kan aannemen en behoorlijken tijd kan geven voor de definitieve eindredactie?’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 678. O. Noordmans aan P. ScholtenLaren Gld.680. W.J. Aalders aan O. Noordmans →