37. Oepke de Roos aan Oepke Noordmans
Amsterdam, 18 maart 1888
Neef Oepke,
Hoewel de vacantie aanstaande is, wil ik toch je brief niet onbeantwoord laten. Meen helemaal niet, dat ik weer over opstand der gymnasiasten of liever van sommige gymnasiasten wil handelen. Ik ben blij dat het zo erg niet is als men wel eens voorstelt. Doch zoveel weet ik er wel van, dat ik zoiets in de gymnasiasten moet afkeuren. Alleen het feit, dat het geschied is, is mij hiervoor genoeg. En hiermee stap ik dan van dit punt af. De vacantie, zei ik, is aanstaande, want vrijdag, geloof ik, begint onze vacantie. Jij moet dan zeker nog een week wachten. Is dat zo, dan moeten we waarschijnlijk op dezelfde dag weer vertrekken, evenals het vorige jaar. De vacantie duurt dus voor ons ook niet zo lang als de andere vacanties. Doch zo’n tijd knapt ons weer op. Men is dan weer thuis in Friesland in de frisse buitenlucht. Zo iets doet ons Friese hart goed. Dat boek handelende over Friesland1 hoop ik mee te nemen. Dat zal je hart zeker goed doen. Als men zo iets leest, voelt men, dat in het Friese bloed nog iets krachtigs zit. Dan ook wordt men gesterkt in zijn verzet tegen alle Franse soep. Het zal je daarom zeker goed bevallen, want jij houdt ook evenmin als ik van al die Franse windmakerij. Daarom ben ik blij dat er een man is opgestaan, die zo’n boek heeft geschreven. Mogen er maar velen nog op volgen, opdat de Friese taal en het Friese volk weer in ere kome! Onlangs ontmoette ik hier bij het uitgaan uit een der lokalen een aardig Friezinnetje. Zij hoorde mij Fries spreken en dadelijk begon ze toen ook Fries te praten. Ik kon zo zien dat het haar goed deed in Amsterdam een Fries te ontmoeten. Zij had een gouden oorijzer en een ‘flodder’2 op. Ook mij was het aangenaam zo’n Friesinnetje te zien. Dan trekt het hart weer sterk naar ons dierbaar land; gelukkig daarom dat de vacantie nadert. Ik hoop dat we dan veel genoegen mogen hebben en met deze wens, mijn neef, eindig ik deze keer. Ontvang mijn hartelijke groeten, je neef
Oepke.
(AN)