511. Ph. Kohnstamm1 aan O. Noordmans
Ermelo, 10 september 1935
Hooggeachte heer Noordmans,
Ik voel behoefte, u te zeggen, hoezeer ik teleurgesteld ben over de voordracht inzake de nieuwe vacature voor kerkelijk hoogleraar te Utrecht.2 Zoals ik u reeds schreef op 11 januari,3⚑ heb ik de benoeming van Berkelbach4⚑ kunnen waarderen van uit het gezichtspunt, dat voor de pastorale vakken iemand, die ook het werk van de stadspredikant kent, in hoge mate wenselijk is. Het leeftijdsargument heeft op mij nooit indruk gemaakt, omdat het hier immers niet naar chronologische leeftijd gaat. Daarom had ik er zo goed als zeker op gerekend, u thans te zien benoemd voor de vakken van Bijbelse godgeleerdheid en geschiedenis der Hervormde Kerk, die zo geheel in uw lijn liggen. Ik weet, dat gij ook deze teleurstelling zult dragen in een kracht, die boven menselijke medehulp uitgaat. Maar ik weet evenzeer, dat gij niet onverschillig zijt voor het besef van gemeenschappelijke verbondenheid ten opzichte van tegenslagen. Wil mij daarom de uitdrukking van die gevoelens ten goede houden. Met hartelijke groeten, als steeds vriendschappelijk de uwe,
Ph. Kohnstamm.
(AN)