638. Ph. Kohnstamm1 aan O. Noordmans
Ermelo, 29 juli 1939
Hooggeachte heer Noordmans!
Op de terugreis van Bilthoven hebt gij goedgevonden, dat ik u zou mogen raadplegen over de vorderingen van het rapport over Schrift en Belijdenis. Door allerlei werk, dat in achterstand was, kom ik er thans eerst toe het hierbijgaande eerste concept u ter beoordeling voor te leggen. Ik heb het ondertussen reeds met prof. Scholten kunnen bespreken, die er in hoofdzaak mee accoord ging, en omtrent de nadere uitwerking eigenlijk slechts twee opmerkingen, resp. adviezen had. 1. De positieve betekenis, resp. de onmisbaarheid der belijdenisgeschriften zou naar zijn mening nog sterker benadrukt moeten worden, al ligt zij natuurlijk in de bedoeling van punt V.2 Ik ben het daarmee geheel eens, en stel nog voor onze verhouding tot het ‘erfgoed der kerk’ in ons uitgewerkt rapport te verduidelijken door het ‘Eert uw vader en uw moeder’,3 dat voor ieder een gebod blijft ook al weten wij, dat onze gehoorzaamheid in dit opzicht beperkt wordt door het: ‘Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijner niet waardig.’4 2. De ‘Hervorming’ der belijdenis is een zaak die alleen actueel kan worden als de nood is opgelegd en de kerk ervoor rijp geworden resp. van die nood doordrongen is. Ook op dit punt ben ik het in beginsel met Scholten eens, al voel ik misschien die nood nu reeds groter dan hij (en wellicht ook gij). In dit verband rijst ook de vraag of wij voor het woord Hervorming dat in het ontwerp ’38 algemeen niet begrepen is, iets beters kunnen vinden. Ik heb gedacht aan Hernieuwing, waarin tevens m.i. continuïteit en aanknoping ligt opgesloten. Ook aan amendering in overeenstemming met het voorschrift van de Antwerpse synode van 1565, dat elke synode moest begonnen worden met voorlezing der belijdenisgeschriften en stellen der vraag ‘s’il n’y a rien à changer et amender.’5 Maar in ons spraakgebruik is amenderen vrijwel identiek geworden met ‘tekstveranderingen’ resp. ‘tekstverbeteringen’ en dat is natuurlijk niet wat hier is bedoeld. Ik zou u zeer dankbaar zijn als ge over het bijgaande, incl. het boven opgemerkte, uw gedachten nader wilt laten gaan en mij de uitkomst zoudt willen meedelen. Mochten er ernstige bezwaren te ondervangen zijn, of langdurige uiteenzettingen wenselijk, dan zou ik in de komende maand waarschijnlijk wel eens naar Laren kunnen komen, al heb ik van mijn medicus nog altijd beperking in mijn bewegingsvrijheid. Maar de zaak van dit rapport en uw hulp en advies daarbij zijn mij wel een kleine afwijking op dit punt waard. In elk geval dank ik u bij voorbaat voor uw opmerkingen, met vriendelijke groeten, uw dw.
Ph. Kohnstamm.
Het concept kunt ge behouden, daar ik meerdere exemplaren heb laten maken.
(AN)