589. J.F. Beerens1 aan O. Noordmans
Utrecht, 1 november 1937
Amice collega,
Toen ik ’t laatste nr. van Kerkopbouw inzag, las ik met enige verbazing de naschriften van prof. Brouwer op uw artikelen.2 Ik begreep niet, hoe die er onder kwamen. Aanvankelijk meende ik, dat de heer Stevens hem de drukproeven had toegezonden en om een onderschrift had verzocht, buiten mijn weten om. Nu vanmorgen, op de vergadering der uitvoerende commissie bleek, dat dit niet ’t geval was. De zaak zit zo. Toen ik de ongewijzigde artikelen van de secretaris ontving met de mededeling, dat hij bezwaar had ze te plaatsen en, omdat ze naar zijn mening krenkend waren voor de voorzitter, heb ik deze van de hoofdinhoud op de hoogte gebracht, door er hem enkele gedeelten uit voor te lezen, met weglating van de passages, die onvriendelijk zouden kunnen worden uitgelegd. Maar de artikelen zelf heb ik hem niet ter hand gesteld. Naar aanleiding van deze korte mededeling heeft prof. Brouwer toen zijn naschriften opgesteld en aan de heer Stevens toegezonden. Daardoor was ik er onbekend mee. Als voorzitter en lid van de redactie - wat hij bij de plaatsing der vorige artikels nog niet was, meende hij daartoe ’t volste recht te hebben. Had ik kunnen vermoeden, dat hij dat van plan was, dan zou ik hem zeker hebben herinnerd aan de door mij gedane toezegging. Nu was mij dit niet mogelijk. Misschien was ’t beter geweest, wanneer ik hem de inhoud niet had meegedeeld. Doch als medelid der redactie, had hij daar toch ook zeker recht op. Met vriendelijke groeten, gaarne tt.
J.F. Beerens.
(AN)