Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Lunteren

Weergave
Passages naar Readwise sturen

849. A.A. van Ruler1 aan O. Noordmans

Hilversum, 3 mei 1949

Zeer geachte dr. Noordmans,

Toen uw boek Het Koninkrijk der hemelen2 kwam - ik lag nog het grootste deel van de dag te bed - , ben ik er terstond als een wolf op aangevallen. En ik heb het opgegeten. Het was geen eenvoudige kost voor mijn zieke, althans zwakke, lichaam; enige duizeligheid heb ik er wel aan te danken gehad. Maar daar ben ik nu weer overheen. Maar ik heb er buitengewoon van genoten. Eerlijk gezegd, ik wist niet, dat ik van uw theologische denkwijze zo veel geleerd had. Dat is natuurlijk in de loop van de jaren ongemerkt zo gegaan, door Geestelijke Perspectieven, Herschepping, Kerkelijk denken voorwaarde voor kerkorde, Augustinus en vele artikelen van uw hand. Maar als ik nu de grondlijnen van mijn theologische inzichten vergelijk met de lijnen door u in deze verklaring getrokken, dan valt mij op meer dan een punt de congruentie op: het accent op het rijk; de pneumatische structuur van alle dingen; het oordeelsgehalte; in de christologie het accent op het werk; het zoeken over de hele linie van het onderscheid met Rome. Op een paar punten heb ik wat moeite. Dat de eeuwige besluiten bij u vrijwel tot laatste oordelen worden, laat ik rusten. In dit opzicht kan ik wel meekomen. Maar punt een is de schroom voor de eeuwigheid. Daarin voel ik een verdisconteren van het idealisme op de manier van de ethische theologie, dat mij vreemd is. Is dat een kwestie van generatie? Kan men werkelijk deze tegenstelling maken: of ‘wij leven maar eenmaal’ of ‘eenmaal zullen wij leven’, en kan men dan (het Oude Testament! wie looft u in de kuil?3 kiezen voor het laatste? ‘God’ is toch niet gelijk aan ‘de eeuwigheid’? Punt twee is de waardering van de stof. Bij de opstanding zijn geen antropologische kwaliteiten van lichaam en ziel in geding, maar theologische, van oordeel en daad Gods. Maar zoals de Geest de grenzen van de Woordvorm overschrijdt, zo zal er toch liefdevolle aandacht moeten komen voor wat door Woord en Geest in het aanzijn wordt geroepen? Ons theologische transcendentalisme mag toch niet in een theologisch panlogisme ontaarden? Dit brengt bij punt drie: de kwestie van de schepping. Wat zoudt u van deze formulering zeggen: de schepping is ons voorland; vanuit het einde trekt God op naar het begin. U schept toch een dualisme tussen schepping en rijk, dat mij op den duur in een algemeen-christelijk verband niet verdraaglijk lijkt. Een en ander gaf mij ook aanleiding over uw vorm na te denken. Het valt mij namelijk op, hoe weinig u expressis verbis over uw onderstellingen pleegt te spreken. De theologische bezinning blijft tot op aanzienlijke hoogte verhuld in de preekvorm. Zie ik daarin juist? En is dit te dekken met een beroep op het pastorale karakter van de dogmatiek? Als de dogmatiek beoefend wordt in het gesprek in de gemeente, dan is zonder enige twijfel het hart, dat resoneert op het evangelie, het orgaan. Maar stijgt de waarheid niet op in de regionen van de rede en het verstand? (Dit ‘opstijgen’ is geen waarderingsoordeel, maar om zo te zeggen een ruimtelijke aanduiding). Praktisch-technisch zal dat toch in ieder geval noodzakelijk zijn. U zult toch niet kunnen volstaan in en vanuit het koninkrijk te spreken; theologisch zult u er ook eens over moeten spreken. Theologie is nu eenmaal zonde kat’exochen.4 Het bovenstaande moge u er van overtuigen, met hoe grote belangstelling, instemming en vreugde ik mij in uw boek verdiept heb. Van harte hoop ik, dat u nu bezig zult zijn met de commentaar op Romeinen en met die op de Confessio Belgica. Ik zie in uw gedachtenwereld de meest vruchtbare uitgangspunten liggen voor de Nederlandse theologie van de toekomst. Ik hoop mijn leven er aan te wijden, het door u gebodene te verdisconteren. Daarom tenslotte een concrete vraag; hebt u een lijst beschikbaar van alles wat door u in de loop der jaren geschreven is in artikelvorm of in de vorm van overdenkingen, meditaties en boekbesprekingen? Ik zou dat gaarne alles verzameld zien en nieuw uitgegeven. En ik weet, dat er velen in Nederland zijn, die er zo over denken. Met mijn ziekte, of liever met mijn herstel, gaat het goed. Ik wandel nu veel, eet veel, luier veel en voel mij langzaam maar zeker sterker worden. Met hartelijke groeten van huis tot huis. Uw dw.

A.A. van Ruler.

(AN)

Noten

  1. 1

    A.A. van Ruler, zie brief nr. 609 (19.10.1938), n. 27.↩

  2. 2

    Het Koninkrijk der Hemelen. Toelichting op de zondagen 7-22 van de Heidelbergse Catechismus (Nijkerk 1949); zie VW 2, 433-551.↩

  3. 3

    Ps. 30:10.↩

  4. 4

    Gr.: bij uitstek.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 848. K.H. Miskotte aan O. NoordmansLunteren850. O. Noordmans aan K.H. Miskotte →