Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Lunteren

Weergave
Passages naar Readwise sturen

868. O. Noordmans aan W. Banning1

Lunteren, 26 februari 1950

Waarde Banning,

Zopas las ik Uw “Kanttekening bij de Wijsbegeerte der Wetsidee”.2 Vergun mij een paar opmerkingen. Niet om U tegen te spreken, doch zomaar. - Van de Wijsbegeerte van de Wetsidee heb ik mij instinctmatig altijd verre gehouden; ik heb in het werk nooit een oog geslagen. Ik mag dus misschien zeggen, dat ik het met Uw critiek nog meer eens ben dan U zelf. Mijn opmerkingen zetten dan ook pas in, waar U tegen het einde Uw eigen versie geeft. Ik kan met U meegaan, als U - blz. 738 - schrijft, dat de Bijbel geen “eeuwige beginselen” geeft. Ik begin mij daarentegen onrustig te voelen, als U daartegen over plaatst, dat Openbaring “Existenz-Mitteilung”, “doorbraak van goddelijk leven in ons menselijk bestaan”3 is. Ik vraag mij af: breekt er godddelijk leven binnen in ons door? Ik vermoed dat gij toch daarmee niet de Griekse gedachte van een ‘Theoopoièsis’4 bedoelt. Daarvoor is Uw denken veel te Westers. Ook kan ik mij niet voorstellen, dat gij met die “Existenz-Mitteilung” op de roomse lijn zoudt willen komen en er een bovennatuurlijke verheffing van onze natuur zoudt willen verstaan. Ook deze Westerse voorstelling, waarbij de openbaring wel existentiëel, maar meer als van buiten komend wordt gedacht, ligt niet in Uw lijn. U denkt meer aan het goddelijk handelen mèt ons. Wij blijven “ploeteren en tobben” en wij “keren ons om een antwoord voor onze actuele noden en vragen” ... “tot de Bijbel”. Wanneer U spreekt over leven, denkt U aan personalistisch leven, waarbij God en mens twee blijven en niet ineenvloeien, op geen enkele wijze.5 En nu kom ik tot mijn vraag.

Blijft “leven” op de verhouding van God en mens toegepast, toch niet altijd een gevaarlijke categorie? Lopen wij, tobbers en ploeteraars, daarbij geen gevaar, dat wij vergeten, dat wij door de dood heen moeten? Menen wij, die het onfeilbaar afleiden van “beginselen” uit de bijbel “hybris” achten, dat wij wel gebaat zijn bij een levensmededeling en dat wij op die wijze, meer mystisch, voldoende licht krijgen voor onze actuele noden en vragen? Ik kan voorlopig niet zien, dat deze hybris geringer is: eer omgekeerd. U bedoelt - en schrijft dat ook - leiding door Gods Geest.6 Het andere kunt U niet bedoelen. Maar dan komt men toch weer terug op de vraag, hoe de Geest ons leidt. En dan zegt U ook: door het Woord.

Wanneer wij voor de taak gesteld worden de vragen af te leiden uit het ons meegedeelde leven, dan moeten wij het antwoord op onze vragen daaruit zelf opdiepen. Dit gaat boven onze macht. Maar God doet in de bijbel toch meer dan ons voor die onmogelijke taal stellen. Wij hebben toch - hoe dan ook bezien - antwoorden. Als de Geest met het Woord werkt en door het Woord dan doet Hij toch nog iets meer dan ons te stellen voor een onuitputtelijk verband van het leven Gods, waarin wij dan maar zelf wegwijs moeten worden en er de zin van opdiepen. De werking des Geestes door het Woord brengt steeds enig zinsverband mee en de christenheid heeft altijd geleefd bij het licht daarvan. Er is ook een geestelijk vitalisme, een kerkelijke en theologische biologistiek. Waarbij men - mutatis mutandis - met bodem en bloed gaat werken. Existentieel. De zinserbanden van het Woord staan ons nader en geven ons duidelijker bescheid dan het onuitputtelijk verband des Geestes zelf. Het is hybris om ze te transcenderen om zelf de “diepten Gods”7 te gaan onderzoeken.

Daarmee zijn de moeilijkheden niet opgelost. Uw artikeltje heeft mijn volle instemming als U er op wijst, dat de antwoorden ook moeten slaan op vragen, die nu gesteld worden. Het zinsverband van het Woord moet de materie van ons leven tot inhoud krijgen. Het moet er op slaan. Maar dat de bijbel ons bekend maakt met een zin des levens, ook het leven van nu, en ons dat niet zelf laat uitzoeken, moet onder ons in confesso8 zijn.

Ik twijfel ook geen ogenblik, dat daaromtrent tussen ons geen verschil bestaat. Maar juist daarom verwonder ik er mij wel eens over, waarom men dan de categoriën geest, leven, existentie herhaaldelijk met een zekere voorliefde naar voren schuift tegen over die van spreken, uitleggen, die bij het Woord horen. Dilthey heeft vroeger duidelijk genoeg aangewezen, dat de reformatie bij deze laatste leeft.9 De exegese is de methode der geesteswetenschappen in het algemeen en allermeest, waar het Gods Geest geldt.

Daarbij behoeft de dynamiek niet zoek te raken, zoals het zo vaak bij beginsel-ruiterij gaat. U haalt zelf Barth aan als een voorbeeld daarvan.10

Ik bedoel maar - en eigenlijk niets anders - dat U, naar het mij voorkomt, in Uw eigen lijn, best een paar stappen die kant uit zoudt kunnen doen, ook als U bezig bent Uw gedachten, theologische grondgedachten, te ontwikkelen. Waarom eigenlijk niet?

Met hartelijke groeten,

O. Noordmans

(AWBanning)

Noten

  1. 1

    W. Banning, zie brief nr. 744 (29.6.1945), n. 7.↩

  2. 2

    W. Banning, “Kanttekening bij de Wijsbegeerte der Wetsidee” in Wending 4 (1949/50), 735-738.↩

  3. 3

    Ibidem, 738: ‘Ik lees in de Bijbel geen “eeuwige beginselen”, die een grondslag kunnen vormen voor enige filosofie; de Bijbel verzet zich tegen elke wijsgerige systeem-vormbouw, die de pretentie van specifiek Christelijk voert. Openbaring, heb ik van Kierkegaard geleerd, is Existenz-mitteilung, doorbraak van goddelijk in ons menselijk bestaan.’↩

  4. 4

    Gr.: vergoddelijking.↩

  5. 5

    Ibidem, 738: ‘Leven, en zeker goddelijk leven, is nooit in enig stelsel te vangen, zelfs niet in de som van alle stelsels. Ik pas dit ook toe op b.v. het personalisme (al ben ik voor mijn deel overtuigd, dat men de Bijbel personalistisch moet lezen en een personalistische filosofie zich wezenlijk op de Bijbel kan beroepen). Ook wij leren ons om een antwoord voor onze actuele noden en vragen te vinden, tot de Bijbel, die ons spreekt van het verlossend handelen Gods in alle tijden, en ook ons in ons ploeteren en tobben wil leiden met Zijn geest - maar wij vrezen de stelselbouw, en zeker die met het etiket Christelijk, als menselijke hybris.’↩

  6. 6

    Ibidem, 738.↩

  7. 7

    2 Kor. 2:11.↩

  8. 8

    Lat.: onbetwijfelbaar.↩

  9. 9

    Waarschijnlijk heeft ON hier het oog op Dilthey’s studies over de Hervormingstijd, die in deel 2 van zijn vanaf 1914 verschijnende Gesammelte Schriften gepubliceerd zijn; vgl. Wilhelm Dilthey, Gesammelte Schriften, Bd. (3. Aufl. 1957), 112, en de daarop volgende uiteenzettingen over de exegese en het ontstaan van de hermeneutiek.↩

  10. 10

    W. Banning, ibidem, 738: ‘Maar het zou kunnen zijn, dat als de wijsgeren der wetsidee de diepte van de godsdienstige humor verstonden - een weten van de onuitputtelijkheid van het leven Gods, dat ons voortdurend begenadigt en spelend volvoert waar wij ons aftobben (een humor die aan geen richting of systeem verbonden is, maar die ik, geen Barthiaan, bij Karl Barth meen te speuren) - zij hun eigen stelsen zouden verliezen, althans het zouden relativeren...’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 867. O. Noordmans aan K.H. MiskotteLunteren869. O. Noordmans aan J.J. Buskes →