870. W. Banning1 aan O. Noordmans
Driebergen, 3 maart 1950
Waarde Noordmans,
Hartelijk dank voor Uw brief van 26 februari2 waarop ik gaarne nader inga, vooral om mijn tekort geformuleerde bedoeling nader toe te lichten. Toen ik het begrip existentie (met verwijzing naar Kierkegaard) hanteerde, zag ik een parallel tussen Kierkegaards verzet tegen Hegels systeem en wat mij het systeem van de wijsbegeerte der wetsidee doet afwijzen. De grond daarvan ligt in de overtuiging, dat Gods openbaring in Christus de openbaring is niet van idee en systeem, maar van persoon en leven. Ik dacht daarbij in het bizonder - maar heb dat aangeduid noch uitgewerkt - aan Kierkegaards religiositeit B,3 waarin dus zowel de transcendentie Gods als de Einmaligkeit der openbaring zijn ingesloten. Het merkwaardige nu is, naar mijn mening, dat de calvinisten der wijsbegeerte der wetsidee deze beide ook volledig erkennen, en er nochtans een zeer wezenlijk verschil blijft. Dat zoek ik in de inhoud van het begrip existentie. Christus als Existenzmitteilung Gottes is allereerst de beweging der verlossende liefde Gods naar de mensen en hun nood, en wij trachten daarvan in woord en belijdenis te stamelen. Hij is niet de openbaarmaking van de struktuursamenhang der wereld, al of niet in wetskringen. Ik wil natuurlijk niet ontkennen, dat er een struktuursamenhang is, noch dat wij haar kunnen ontdekken (zij het ten dele), maar wel, dat deze behoort tot de openbaring Gods, en dat Hij dus specifiek christelijk (of calvinistisch) zou mogen heten. ‘Geloof ’ als antwoord op openbaring wil voor mij dan ook allereerst zeggen: het dankbare antwoord op de beweging der goddelijke liefde, op Christus, die mij ergens heeft geraakt - en weer niet een systeem van inzichten, al weet ik ook, dat uit deze geraaktheid inzichten volgen. Misschien ben ik, op grond van mijn individuele levensloop, wat huiverig om al te snel tot de formulering der inzichten over te gaan - ik weet uit ervaring, hoe tiranniek ze kunnen zijn. Heb ik zo mijn bedoelen iets verduidelijkt? Ik dank U in elk geval zeer, dat U mij even tot nadenken hebt gedwongen.
Met vriendelijke groeten, Uw
W. Banning
(AN)