Zondag 52
Per zondag het aantal verwijzingen.
Vraag 127. Welke is de zesde bede?
Antwoord. Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Dat is: Dewijl wij van onszelven zo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnen bestaan, en daartoe onze doodsvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees, niet ophouden ons aan te vechten; zo wil ons toch behouden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes, opdat wij in dezen geestelijken strijd niet onderliggen, maar altijd sterken wederstand doen, totdat wij eindelijk ten enenmale de overhand behouden.
Vraag 128. Hoe besluit gij uw gebed?
Antwoord. Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Dat is: Zulks alles bidden wij van U, daarom, dat Gij, als onze Koning en aller dingen machtig, ons alles goeds te geven den wil en het vermogen hebt, en dat alles, opdat daardoor niet wij, maar Uw heilige Naam eeuwiglijk geprezen worde.
Vraag 129. Wat beduidt het woordeken: Amen?
Antwoord. Amen wil zeggen: Het zal waar en zeker zijn. Want mijn gebed is veel zekerder van God verhoord, dan ik in mijn hart gevoel dat ik zulks van Hem begeer.
De traditionele tekst (Stichting De Gihonbron, 2017).
Genoemd 4
Het kerkelijk dogma, VW 2, p. 193
… het kleinst; maar het waarheidsbesef des te groter. En zo behoort het, naar de verklaring, die zondag 52 van het Amen geeft.
vraag 128, Het Koninkrijk der hemelen, VW 2, p. 457
… kunnen behandeld worden, in plaats dat het nu alleen aan het slot, bij de bespreking van het Onze Vader, in vr. 128, even te voorschijn komt. Dat God de Heer der toekomst is, meer nog dan die van het verleden, zou dan beter tot uitdrukking zijn …
vraag 129, Newman en de Reformatie, VW 6, p. 381voetnoot q
Heidelbergse catechismus, vraag 129,
vraag 129, De prediking, Gods poorten, VW 8, p. 146
… waar en zeker zijn; veel meer waar dan ik in mijn hart gevoel, dat het een begeerlijk goed is (Heid. cat., vr. en antw. 129). Het wil zeggen: Het is 'van u af en verder'(1 Sam. 20 : 22) tot daar waar God zal zijn alles in allen (1 Kor. 15 : 28).