Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Suameer

Weergave
Passages naar Readwise sturen

280. J.P. Eringa1 aan O. Noordmans

Amsterdam, 8 augustus 1913

Geachte neef,

Toen wij onlangs het genoegen hadden u te horen en te spreken, heb ik met opzet vermeden, zoals gij wel zult gevoeld hebben, iets te zeggen naar aanleiding van de preek, die wij van u gehoord hadden, zondag 27 juli ’s voormiddags. Na de preek vond ik het niet de tijd en de plaats daarover te spreken, al in het bijzijn van de kerkeraad en ’s avonds nog minder te midden van uw familie. Dat wil echter niet zeggen, dat ik niets te zeggen had of niet zou gevoeld hebben, dat gij u op een gans andere lijn beweegt, dan allen, die instemmen met de belijdenis onzer kerk, omdat zij geloven, dat deze niet anders is dan een repetitio sacrae scripturae.2 Formeel had ik voor uw preek veel lof. Uw gedachten waren goed geformuleerd en geordend, uw uitdrukkingen goed gestyleerd, uw voordracht onderhoudend en dwingend tot luisteren. Ik heb uit dat oogpunt beschouwd hier heel wat slechter preken gehoord van predikanten, die ongeveer hetzelfde standpunt innemen als gij blijkbaar inneemt. Gij zoudt met zulk een preek hier waarlijk geen slecht figuur maken voor hoorders die b.v. gaarne dr. Engelberts3 horen. Ik zal hem zeggen, dat hij u eens uitnodigt om voor hem een beurt te vervullen. Maar verder dan de vorm gaat mijn lof ook niet. Het bleek mij opnieuw dat wij veel te ver van elkander staan om met elkander te disputeren. En nu zou dat niets betekenen, dat gij met mij oneens zijt, maar lees eens het antwoord op de tweede vraag van zondag 31 van onze Heidelbergse Catechismus. Niet waar? Gij zult mij moeten toestemmen, dat de bediening des Woords wel wat anders is dan uw wijze van preken, te oordelen naar de leerrede die wij van u hoorden. Trouwens na uw lezing over ‘Dogmatische zekerheid’4 wist ik, dat al de door ons beleden en geloofde hoofdwaarheden der christelijke religie voor u niet anders waren dan pogingen om de waarheid te formuleren, en dus geenszins adequaat aan de waarheid zelf. Vandaar dat het gezag der H. Schrift, de Godheid van Christus, het verzoenend lijden en sterven onzes Heilands, het werk des H. Geestes enz. voor u een geheel andere betekenis hebben dan voor de kerk van alle eeuwen en ook voor mij. Dat bedroeft mij. Ik kan niet anders dan blijven hopen, dat uw ogen geopend worden, ook gedachtig aan uw onvergetelijke vader, om wiens wil ik ook gaarne met vriendelijke gevoelens en vele groeten ook van mijn vrouw mede aan de uwe blijf uw toegenegen neef,

J.P. Eringa v.d.m.

(AN)

Noten

  1. 1

    J.P. Eringa, zie brief nr. 26 (12.3.1887), n. 6.↩

  2. 2

    Lat.: herhaling van de heilige Schrift.↩

  3. 3

    W.J.M. Engelberts, zie brief nr. 102 (8.5.1893), n. 6.↩

  4. 4

    De lezing ‘Dogmatische Zekerheid’ werd op 12 april 1906 door ON gehouden voor de Friesche Predikantenvereeniging; zie VW 1, 52-77.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 279. H. Visser aan O. NoordmansSuameer281. R. ten Kate aan O. Noordmans →