372. J.H. Gunning JHzn.1 aan O. Noordmans
Bilthoven, 27 november 1928
Waarde vriend,
Dank voor uw zeer gewaardeerd schrijven. Ik was van plan slechts zeer enkelen uit te nodigen een woord te schrijven over vader.2 Zonder iemand aan iets te binden, noch wat grootte noch wat onderdeel van hun bespreking zou zijn. Alleen wat hun hart hun zou ingeven over vader en zijn betekenis of zijn persoon of zijn invloed of wat dan ook, te zeggen. Eerst dacht ik aan een Pniël-nummer, omdat dit dan in een 4000 exemplaren gelezen wordt, terwijl een gekochte brochure misschien een 600 kopers vindt. Maar ’k wil dit afwachten. Ik kreeg van vaders vriend Van der Tak3 uit Maasbracht een mooi, gevoelig stukje; ikzelf schreef een opstelletje en verder heb ik nog niemand gevraagd dan u en Miskotte. De laatste zit tegenwoordig zo in Barth en Kohlbrugge dat hij mij nog niet antwoordde. Met uw belofte ben ik heel blij. Ik zou zeggen: schrijf het stuk of stukje zo lang of zo kort als gij wilt, en zend het mij zodra gij het kunt zenden. Wat ‘binnen’ is, is binnen. Later komt er weer ander werk voor u, dus als gij tijd en gelegenheid hebt, schrijf het dan en wees van mijn grote dankbaarheid verzekerd. Ik lees steeds met bewondering wat gij schrijft, en ik hoop vurig dat gij de leerstoel van Van Nes4 zult krijgen. Die komt u toe. God zegene u! Met dank uw toegenegen vriend
J.H. Gunning JHzn.
(AN)