378. J.H. Gunning JHzn.1 aan O. Noordmans
Bilthoven, 23 april 1930
Hooggeachte vriend,
Gij hebt mij tot grote dank verplicht door het schone opstel,2 dat gij aan mijn vader hebt gewijd. Het is, als alles wat gij schrijft, een vrucht van rijpe kennis en van een begrijpend hart. Ik heb het met innerlijke ontroering gelezen. Ik dank u voor dat woord: ‘alles roept om de hogere praktijk waarvan Gunning de profeet is geweest.’3 Ik geloof het met u, en ik merk het ook overal, waar ik eens eingehend met de lieden spreken kan. Gij hebt, evenals Miskotte, van die gelukkige aanduidingen, die blijven ‘hangen’ en verder helpen. Irenische felheid en militante verdraagzaamheid. Ja, zo is het! Wat ik heerlijk vind in dit stuk is uw klaarheid, uw duidelijkheid van dictie, die niet altijd uw caracteristicum is. Ik denk dat dit artikel zeer de aandacht zal trekken. Het wordt tijd dat gij eens uw verspreide opstellen gebundeld uitgeeft. Wie leest nu dit Ethische Jaarboek? Ik heb het nog nooit gezien, en zo zullen er meerderen zijn. En uw heerlijke opstellen in Eltheto, ook al zo weinig buiten de engere studentenkring gelezen, moeten ook in breder kring gelezen worden. Heus, denk er eens aan en geef tegen het najaar een volledige uitgave van uw verspreide opstellen uit. Uw Augustinus4 kende ik, maar herlas ik met innige vreugde. Ach, was ik niet zo oud, hoe gaarne zou ik Augustinus en Athanasius eens gaan lezen. Ik ben niet genoeg klassicus om ze in het oorspronkelijke behoorlijk te verstaan, maar dat is ook niet nodig. Ik ben nu heel druk met Newman5 bezig, en lees veel van die fijne geest, wiens overgang naar Rome ik nog altijd niet geheel psychologisch kan verstaan. Waarom werd hij rooms en vader niet? Ze hebben toch ontzaglijk veel met elkaar gemeen. Mij heeft sedert jaren lang de kerkidee en de eis der kerk te pakken, en vooral Augustinus is mij een hoog ideaal. Het spijt mij ontzaglijk dat die aflevering van Het Schild6 is weggeraakt. Ik weet niet meer waarom ik haar u toezond (o, mijn geheugen wordt een zeef!!) maar zo heel veel zult gij er niet mee verliezen. Vraag echter dat blad aan, - Neen, ik zal het voor u doen - men zendt het u gaarne gratis. Het is wel de moeite waard. De roomse apologetiek is in ons land toch wel waardig en ernstig. Ik ben bijvoorbeeld door dat verzoek aan alle hervormde predikanten,7 dat gij natuurlijk ook gekregen hebt, wel getroffen. En hoe komt een man als Newman, knap als weinigen en geplaagd en mishandeld door Rome als weinig bekeerlingen ooit ervoeren, tot aan zijn dood toe ongeschokt in de overtuiging te blijven dat Rome’s kerk de ware schaapskooi van Christus is? Heb nogmaals dank voor uw mooie stuk en voor de vriendelijkheid het mij toe te zenden. Ach, waarom geeft Van Nes8 nu zijn katheder niet op om u plaats te laten! Gij zoudt een zegen zijn voor onze jongelui, daar ben ik zeker van. Met oprechte hoogachting en waardering uw vriend en broeder
J.H. Gunning JHzn.
(AN)