371. O. Noordmans aan G. van der Leeuw1
Laren (G.), 8 september 1928
Amice,
Even wil ik terugkomen op onze discussie van gisteren,2 vooral ook omdat, door het afbreken daarvan, een vraag niet ter sprake is gekomen, waarvan ge me gezegd hadt, dat ze in opdracht gesteld was en het dus een schijn van onbeleefdheid zou kunnen hebben, nu er niet op geantwoord werd. Laat mij tevens mogen zeggen, dat het mij, zoals altijd, een groot genoegen was met u van gedachten te mogen wisselen. Bijna zou ik zeggen: ‘Wo du nicht bist, Herr Organist, da schweigen alle Flöten.’ De bedoelde vraag betrof dan het fenomenologisch karakter van ernst en eenvoud, in verband met de mogelijkheid om die ook bij mohammedaan of katholiek aan te treffen. Inderdaad is fenomenologie een benadering van waarheid, waarvoor wel grote geoefendheid eis zal zijn; een kunst, die ik mijzelf niet gaarne zou toekennen. Het komt natuurlijk aan juist op het opvatten van de kenmerken van de gereformeerde ernst en eenvoud. Daarom lijkt mij de vraag in heel nauw verband te staan met de eerste: hoe verhouden zich fenomenologie en theologie (in eigenlijke zin of liever gewone zin) en hoe komen we van de eerste tot de laatste. Nu heb ik in de lezing3 wel m’n best gedaan om het gereformeerd karakter van de fenomena te onderscheiden van andere verwante, b. v. die van de magie, van de mystiek, van het: du sollst. Dogmatisch heb ik dat ook telkens verduidelijkt, door te wijzen op het verschil in de manier, waarop wij tot schepping en verlossing in verhouding staan. Voor Kant ligt het in de betekenis van Geest. Ik geef toe, dat dat geen fenomenologische aanwijzingen zijn. - Wil men daarin de beslissende toetsen aanbrengen, dan moet men gebruik maken van dichters en schilders, wat ik ook een beetje gedaan heb. Een schildering als van Burns4 sluit elke verwarring met mohammedanisme zo volkomen uit als maar mogelijk is. Dit geldt nog meer als men eigen indrukken laat spreken. De moeilijkheid is daar, dat men niet over de middelen beschikt, die de dichter ten dienste staan. - Hiermee is althans iets gezegd op deze zo belangrijke vraag. Op uw lijstje staat ook nog de moeilijke vraag: hoe kom ik van structuur tot absolute normen en hoe staat het met het kaartspel? De eerste is een heel abstracte, de tweede een bijzonder gezellige vraag. Ik hoop, dat ik nog wel eens gelegenheid zal krijgen er persoonlijk met u over te praten. Inmiddels, met vriendelijke groet,
O. Noordmans.
(ARUG)