157. J.P. Eringa1 aan O. Noordmans
Amsterdam, 13 juni 1902
Waarde Neef.
Laat mij u allereerst nog eens vriendelijk danken voor het gulle onthaal bij gelegenheid van uw voorstel. Dat was een heel familie-diner, waarvan de gastheer aller eer had. Jammer dat er een ietwat gedrukte stemming heerste, die zelfs door de geestige in- en uitvallen van uw vrienden maar niet geheel wilde wijken, niet geheel onverklaarbaar. Gij hebt ons gisteren, waarde neef! in een moeilijke positie gebracht. Ik mocht tegenover de familie Lambers, tegenover de paranimfen, tegenover uw broeders allerminst, die, naar het mij voorkwam, de portée van het gehoorde niet zo goed hadden begrepen, niet zeggen wat mij op het hart lag. Maar indien wij ook nu zwegen, zouden wij de schijn op ons laden, alsof wij (mijn vrouw en ik nl.) ook niet hadden begrepen, wat ge in uw voorstel voor onze oren hebt gebracht. En daarom gevoel ik mij gedrongen u nog eens te schrijven. Laat mij u dan zeggen dat uw voorstel ons diep heeft bedroefd. Wij willen geenszins ontkennen dat ge uw gedachten in een schone bloemrijke vorm gegeven hebt, maar daarmede is onze lof ook ten einde. Wij hadden na onze gesprekken van verleden zomer natuurlijk niet verwacht, dat wij u een confessioneel standpunt zouden horen innemen, maar wij hadden evenmin kunnen verwachten, dat gij het ethische, critische station zover zoudt zijn voorbijgestoomd. Uw prediking was zuiver modern. Wij kunnen haast niet geloven, dat het uw overtuiging was, die gij hebt uitgesproken en toch moesten wij het geloven. Wij hebben zeer goed gemerkt, dat onze Here Christus voor u niets meer is dan een voortreffelijk mens, een groot zedeleraar, dat de wedergeboorte voor u niets anders is dan het streven naar zedelijke zelfvolmaking, dat de zonde voor u niets anders is dan een wanklank in de harmonie der schepping, die om haar bittere vruchten moet worden vermeden en verzaakt. Geen zonde in de zin van afval van en opstand tegen God. Geen schuld, geen verzoening door voldoening, geen Verlosser en Heiligmaker, die ons als arme verlorene zondaren redt en behoudt. Geen woord van dat heerlijk evangelie van genade en zaligheid, dat het hart van alle zondaren, die behoefte hadden aan troost, alle eeuwen door heeft verblijd en verkwikt. Niets dan moderne theorieën. Heeft dan de studie en het onderzoek u daartoe gebracht! O, ik meende het verleden zomer reeds op te merken, dat gij de critische kwesties aangaande de Heilige Schrift reeds achter de rug hadt en dat ge reeds aangekomen waart bij de daarachter liggende kwesties, die gij aan de hand van een ongelovige filosofie trachtte op te lossen. En het is nu weer voor de zoveelste maal gebleken, wanneer de menselijke rede zich weigert te onderwerpen aan het Woord, dan eindigt zij met dat Woord te verwerpen, en komt bij het modernisme uit. Maar ik neem aan, dat er al studerende en vooral studerende onder leiding van Valeton2 en Cannegieter,3 allerlei vragen voor u zijn opgerezen, maar waart gij dan zo zeker nu reeds het antwoord op al die vragen te hebben gevonden, dat u zo gejurieerd4 moest uitspreken? Hadt ge uw twijfel uitgesproken omtrent verschillende waarheden, die door de Kerk van alle eeuwen beleden zijn, gij zoudt ons dan tenminste de hoop gelaten hebben, dat de nevelen des twijfels nog konden weggevaagd worden door het zonnelicht van de waarheid Gods! Maar dat zou in uw oog misschien gestreden hebben tegen die eenvoud, die volgens uw voorstelling, geheelheid van karakter beduidt. Nu, ons geeft dat de indruk, dat de twijfel bij u reeds plaats gemaakt heeft voor een zekerheid des ongeloofs, die ieder christen verschrikkelijk moet vinden. O, wat was ik blij, dat uw vader niet onder uw gehoor was! Een zwaard moest door zijn ziel gegaan zijn, als hij zijn zoon door stilzwijgen die waarheden hoorde verloochenen, die voor hem het leven zijner ziel zijn. Wat zal hij vele gebeden opgezonden hebben voor uw herstel, in de dagen, dat gij gedwongen waart uw studiën te staken! Wat hoopte hij, dat het voor u een weg van loutering en zelfbeproeving mocht wezen! Heeft dan die beproeving juist het omgekeerde uitgewerkt van hetgeen hij had gehoopt? Heeft die langdurige gedwongen rust u verder van de levende God vervreemd, in plaats van u nader tot Hem gebracht? Want de God die gij nu hebt, is niet de levende God, maar een filosofische idee, een schepping van de rede en de fantasie die geen realiteit heeft en daarom ook niet kan bemind, gediend, geëerd en geprezen worden. Ach, denk nog eens na voordat ge op deze heilloze weg voortgaat! Gij wildet de waarheid achter de waarheid zoeken en daarom hebben de waarheden, die voor honderden en duizenden van ons geslacht de enige troost in leven en sterven hebben uitgemaakt, zich voor u opgelost in inkleding van godsdienstige gedachten. Maar gij zult ten laatste ‘vragensmoede’5 aankomen in de ijle, ledige sfeer van agnosticisme en atheïsme. O, bespaar uw ouders die smart en uw familie, wier eer het was steeds op te komen voor de door God geopenbaarde waarheid, die schande en bovenal red uw ziel van het verderf! “Ja”, zult ge zeggen, “maar gij allen gaat in uw denken slechts tot een zeker punt, en legt u dan neer bij hetgeen gij de geopenbaarde waarheid noemt. Dat kan ik begrijpen in u, in uw broeder Jac. Eringa,6 in mijn zwager Lambers, in mijn vader, die trouwens in het geheel niet gestudeerd heeft, maar een doordenkend mens kan niet bij dat punt blijven stilstaan.” Waarde Neef! het is de natuurlijke hoogmoed van het menselijk hart, die u parten speelt. Maar is dan de kennis, de geleerdheid, de diepte van ons verstand en geest alleen te vinden bij onze moderne filosofen? Waren Paulus, Augustinus en Calvijn geen mannen van een verbazende denkkracht? Zijn er ook in onze dagen geen mannen met een helder hoofd, die buigen voor de waarheid Gods? Zijn dr. Kuyper, dr. Hoedemaker, dr. Bavinck,7 dr. van Meer,8 Schokking,9 Kromsigt10 en anderen allen niets betekenende persoonlijkheden? Zijn alleen mannen als Cannegieter groot in uw ogen? Gij zult waarschijnlijk niet toegeven, dat de moderne ideeën de uwe zijn. Gij zult uzelf wellicht onder die denkers rekenen, die van niets zo afkerig zijn als van het ‘jurare in verba magistri.’11 Maar ik moet u de illusie ontnemen dat er iets oorspronkelijks was in uw voorstel, behalve de vorm. Wat de wijze van uitdrukking betreft, zijn er geen twee mensen op Gods aardbodem gelijk, en de een heeft de gave van zijn gedachten in een bevallig kleed te steken, die de ander mist. Die eerste gave is echter weer volstrekt geen prérogatief van de aanhangers van het nieuwe licht. Maar wat de denkbeelden betreft in uw voorstel. Ds. Niermeijer12 van Finsterwolde en ds. Okken13 van Beerta (en dat zijn in hun genre ook geen kwajongens) zouden zich niet anders uitgesproken hebben. In één opzicht verschilde uw voorstel van een gewone moderne preek. Gij bepaalde u tot het poneren van uw ideeën, en dat was de reden waarom uw familieleden omtrent uw overtuiging in het onzekere zijn gebleven, terwijl in een gewone moderne preek de bestrijding van de waarheden, die door de kerk van alle eeuwen werden beleden, en de hatelijkheden aan het adres van de orthodoxen niet gemist worden. Maar dat was voor u nog te kras, gij hebt nog te veel eerbied voor het geloof van uw ouders. Maar gij zult er zo voortgaande komen. Als ge straks zelf voor stoelen en banken moet preken in een afgelegen dorp in onze vaderlandse kerk, terwijl gij ziet, dat de eenvoudigen in hun onverbeterlijke verblinding toch altijd weer luisteren naar die predikers die hun zonde en genade verkondigen, die hun een arme zondaar, maar ook een rijke Christus voorstellen, dan zal het u gans bitter te moede worden, en gij zult in uw bestrijding van die orthodoxen even fris moeten worden als de beste moderne predikers. Maar zult gij zeggen: wij kunnen toch niet vragen naar hetgeen de schare begeert en wil. Wij moeten voorgangers, geen volgelingen zijn. Volkomen waar! Maar des te meer moeten wij toezien, dat wij geen leidende leidslieden worden. Een gezant van Jezus Christus te zijn en zijn evangelie te vertolken aan zondaren, die ten dode zijn opgeschreven, welk een heerlijke roeping! Maar ook welk een verantwoordelijkheid, indien wij ontrouw zullen worden bevonden. En nu, in plaats daarvan filosofische moderne denkbeelden aan de man te brengen, die geen schepsel troost of hoop kunnen geven! O, beware de Here u, om toch niet die schadelijke weg te bewandelen, die u niets dan teleurstelling zal baren hier op aarde, en eenmaal aan de overzijde van het graf! En wat ik u bidden mag, preek dat voorstel toch vooreerst niet in enige gemeente! Waarom zoudt gij u bloot geven, terwijl er nog tijd is tot nadenken, tot inkeer en terugkeer? Want daartoe moet het komen, of gij zijt verloren voor uw ouders, voor ons, uw familie, voor God, voor de hemel. En dat eerste zou niets zijn, als het een martelaarschap was met een martelaarskroon, maar de kroon ontbreekt. De kroon wordt alleen beloofd aan de getrouwe getuigen van Hem, die spreekt: “Zijt getrouw, tot in den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens.”14 Met vele hartelijke groeten ook aan uw ouders en familie, van hen, die u nog niet willen loslaten. Uw liefhebbende neef en nicht,
J.P. Eringa, v.d.m. G. Eringa-Noordmans.
(AN)