153. J.P. Eringa1 aan O. Noordmans
Oostwold (Oldambt), 18 mei 1901
Waarde neef,
Toen ge mij voor de paasvacantie bericht zond over uw slagen voor het IIde deel candidaatsexamen, ‘cum laude’, heb ik u per briefkaart gefeliciteerd,2 maar ik ben nog altijd in gebreke gebleven u eens terug te schrijven naar aanleiding van uw letteren van 11 maart l.l.3 Dat schrijven was ons zeer aangenaam, en wij hadden gedacht, dat het door een bezoek in de paasvacantie zou gevolgd worden, maar ge hebt zeker beter geacht, dat tot de zomervacantie uit te stellen. Nu, men kan dan in de regel ook rekenen op beter weer, en de predikanten hebben het in de zomermaanden wat minder druk dan gedurende de wintercampagne. Dan heb ik het althans zeer druk. De kwestie over het einde der eeuw zullen wij nu maar laten rusten. Het is althans buiten kijf, dat wij nu in de 20ste eeuw zijn. Uw gevolgtrekkingen, gemaakt uit de omstandigheid dat, indien met het einde van 1899 de eeuw vol was geweest, er een jaar nul moet geweest zijn, hebben mij nog niet overtuigd van het ongerijmde van mijn gevoelen. Gij kent het oude spreekwoord: ‘alle dingen hebben twee handvatsels, doch een zeker onmisbaar voorwerp maar één.’ Doch daarover dan later. Uw zwager Van Dijk had u niet volkomen naar waarheid ingelicht omtrent mijn bezit van Gijsbert Japicx.4 Ik had het toen nog maar in bruikleen van het hoofd der openbare school alhier, die nu eervol ontslag ontvangen heeft en naar Groningen vertrokken is. Voor zijn vertrek heeft hij mij echter Gijsbert Japicx geschonken, daar hij toch geen oud-Fries, nog minder dan het hedendaagse, lezen kon. Nu staat Gijsbert-oom dan in mijn boekenkast naast de Bruorren Halbertsma5 en de Friese spraakkunst van Van Blom,6 een aardig boekje dat ik u zal laten zien als ge het niet kent. Ofschoon ik nog niet alle woorden van Gijsbert Japicx snap, kan ik hem toch vrij goed volgen. Met de gebr. Halbertsma ben ik niet zo onvoorwaardelijk ingenomen als gij blijkens uw schrijven. Het is waar, er zijn juweeltjes van dichtstukjes onder de ‘Rimen’.7 Maar de ‘Teltsjes’,8 neen, dat gaat soms te mal. Wat ‘út de Skearwinkel van Joute-baes’9 komt, is nu en dan bepaald ‘smoarch’.10 Ook ademen sommige stukken, zoals het verhaal van ‘Goasse fen Molkwarren’,11 een geest, die bepaald vijandig is aan alle waar Christendom. Vele stukken zijn ongetwijfeld geestig, maar ‘de Bruorren’ kunnen evenmin als vele andere Friese schrijvers zich van bespotting van ware vroomheid en oprecht christelijk geloof, dat ze trouwens niet kennen, onthouden. Dat kleeft eigenlijk als een smet op alle Friese litteratuur, en dat maakt dat men met onze eigen schrijvers niet zo hoog kan weglopen als anders het geval zou zijn. Een stuk als ‘It grouwe pak’12 vind ik haast onder de ‘Teltsjes’ het beste. Gabe Skroar13 was anders gevat. Alleen verwondert het mij dat hij, toen hij zijn proeve van kennis in het Grieks gaf, de ontvanger nog niet sterker diens onkunde ten opzichte van de taal van Hellas aantoonde.14 Het waren niet ‘allemaal cijfers’, behalve einai = zijn. Ook lipai is een grieks, een vorm van het werkwoord lipao, in de derde persoon enkelvoud indicatief, naar de regel der verba contracta (lipaei = lipai), hij is fel. De dubbelzinnigheid van de uitdrukking ‘vert zijn’15 was niet onaardig geweest bij ‘de gearkomste andere brandeurn nei it feartflagjen.’16 Nu, daarover later meer, als ge bij ons komt. Overigens ben ik het geheel met u eens dat wij kinderen blijven van onze tijd, en van ons eigen volk. De plaats waar - de omstandigheden waaronder - de ouders uit wie wij geboren zijn, drukken de stempel op ons ganse leven, en ik zou ook niet wensen dat het anders ware. Ik heb het voor tien jaar op de bruiloft van mijn broeder Jakob te Leiden, die zoals gij weet een vrouw uit Holland nam, op deze wijze gezegd: ‘Onthôld dit op düer libberspaed: nea mei in man sün folk forjitte, hij mat sün lân hun dierbaar witte, in ít plakje, der ’t er widse waerd.’17 En hiermede thans genoeg. Wij verwachten u deze zomer. Mijn broeder Jakob met vrouw en dochter hopen in de pinksterweek bij ons te komen. Misschien kom ik 29 mei nog te Utrecht. Bij ons is alles wel. Ontvang deze in gezondheid. Vele groeten van uw toegenegen neef en nicht,
J.P. Eringa, G. Eringa-Noordmans en van uw nicht Aagje.
(AN)