Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Utrecht

Weergave
Passages naar Readwise sturen

158. J.P. Eringa1 aan O. Noordmans

Spannum, 16 juli 1902

Waarde Neef.

Om mij niet aan onbeleefdheid schuldig te maken, wil ik uw brief van 6 juli j.l.2 nog kort beantwoorden, ofschoon ik inzie, dat verdere discussie bij het door u ingenomen standpunt nutteloos en vruchteloos is. Als ge in mijn schrijven slechts de verdediging van een theologische mening ziet, dan verdwijnen alle waarheden voor u in de nevel van subjectieve theologische meningen, dan is er geen beroep op een waarheid, die boven ons staat en dan kruisen de degens van de strijders elkander niet langer, maar slaan zij naast elkander in de lucht. Maar toch een paar opmerkingen, naar aanleiding van uw schrijven.

1. Als ik de naam mijner vrouw mede onder een brief zet, dan betreft dat in de regel slechts de groeten aan ’t slot. Er is natuurlijk geen sprake van, dat zulk een brief, als ik aan u schreef, de vrucht zou zijn van een soort gemeenschappelijk overleggen van twee theologen of niet-theologen. Hoogstens kunt gij uit die ondertekening opmaken, dat mijn vrouw de brief gelezen heeft, voor hij verzonden werd, wat ik gaarne erken, en dus hadt gij volkomen gelijk uw antwoord aan mij alleen te richten.

2. Gij beweert niet modern te zijn en wijst op een paar zaken b.v. de zondeloosheid en het messiaans karakter van Jezus, waaruit dat genoegzaam moet blijken. Dat verblijdt mij enerzijds, maar bewijst mij anderzijds hoe dicht de ethische linkerzijde, waartoe ik u dan zeker moet rekenen, het modernisme genaderd is.

3. Gij moet u niet verwonderen, dat ik de indruk van uw voorstel ontvangen naar mijn broeder in Workum heb overgebriefd. Hij en ik staan tot nog toe op dezelfde basis, en het is hem evenmin als mij onverschillig, als wij iemand van onze familieleden, en dan wel de zoon van een vader die wij beide zo hoogachten, zover zien afdwalen van hetgeen de kerk van alle eeuwen op grond van Gods Woord beleden heeft. Waar gij uzelf trouwens zo geponeerd uitgesproken hebt, als wildet gij alle schijn van u weren van verberging of maskering van uw overtuiging, daar gevoelde ik nog minder roeping om voor u te zwijgen. Evenwel als ik mij niet vergis, heb ik hem er bij geschreven: ‘verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon.’3

4. Ik verwonder mij in ’t geheel niet dat ge de toon van mijn brief ‘hoekig en zwaar onverteerbaar’ vond. Natuurlijk, wanneer er voor mij geen objectieve waarheid was, ons rechtstreeks door God geopenbaard, maar slechts waarheden door de filter van het menselijk denken tot ons gekomen, dan had ik geen recht om zo aan u te schrijven als ik gedaan heb. Een voorstander of aanhanger van een andere subjectieve mening heeft geen recht om de voorstander of aanhanger van een andere subjectieve mening à faire te nemen. Maar juist waar ik met alle beslistheid de objectieve waarheid belijd, daar meen ik recht te hebben niet om u mijn zienswijze op te dringen, dat betekent niets! maar om u te vermanen, te smeken zelfs om tot de waarheid terug te keren.

5. De idee, dat niet-theologen niet over deze zaken kunnen oordelen, waarom ge het ook wraakt, dat mijn vrouw van mijn schrijven kennisnam, is in mijn oog, zoals gij wel kunt begrijpen, grundsätzlich falsch. Gij weet, wat de Heilige Schrift leert van de natuurlijke blindheid van ’s mensen verstand en van de noodzakelijkheid van de verlichting des Heiligen Geestes. Dat maakt dat een groot theoloog, in de gangbare zin van het woord, in de zaak van onze behoudenis voor de eeuwigheid zo blind kan zijn als een mol, terwijl een eenvoudig kind van God ze bij alle gemis van theologische ontwikkeling uitnemend verstaat. Dat maakt dat ik aan de kennis van mannen als uw vader en mijn grootvader veel meer gewicht hecht, dan aan de speculatiën van sommige professoren in de theologie. De zaken waarover het geschil gaat tussen u en mij betreffen geen theologische vraagpunten waarover men eens kalmpjes gaat praten, maar hangen samen met de behoudenis eens zondaars voor de eeuwigheid.

6. Dat in aanmerking nemende, zal het u niet verwonderen dat ik onder uw gehoor niet zo gemakkelijk en rustig neerzat als een aandachtig en belangstellend hoorder schuldig is te doen. Ik ben nooit een stoïcijn geweest en hoop het ook nooit te worden. Als ge mijn vorige brief u nog herinnert, dan zult gij wel weten welke indrukken ik onder uw voorstel opdeed. Maar de geste en bewegingen, waardoor ik mijn afkeuring zou hebben te kennen gegeven, zijn zeker niet erg opvallend geweest, want dan zouden ze door de spreker zelf wel zijn opgemerkt. Enfin, als ik het voorstel uit een andere mond gehoord had, had ik er misschien gelaten naar geluisterd, nu niet.

7. Dat uw vader u op uw voorstel de hand gegeven heeft, is voor mij een van die vele raadselen, die in het menselijk leven voorkomen. En gij schrijft dat toe aan dogmatische onbevangenheid. De man die mij meermalen op de vingers getikt heeft, als ik in De Gereformeerde Kerk een onnauwkeurige uitdrukking bezigde, waarvoor ik hem dankbaar ben,4 zou in uw voorstel niets te berispen hebben gevonden? Dat zou waarlijk iets van het uitzijgen van de mug en het doorzwelgen van de kemel hebben.5 Het is m.i. niet nodig om op deze opmerkingen terug te komen, om de in de aanhef genoemde reden. Gij hebt uw tijd thans nodig voor de studie, daar ik hoor, dat ge toch met september uw proponents hoopt te doen. Vrijdag a.s. gaan wij naar mijn broeder te Workum.6 Wij hadden gedacht bij die gelegenheid een poosje ten uwent te pleisteren, maar nu hebben wij van terzijde gehoord, dat uw vader en moeder vrijdag de dag bij uw broeder te Oosterend zouden doorbrengen. Wij zullen ons dus nu naar Bozum laten brengen. Met vele groeten, ook aan uw ouders, mede namens mijn vrouw, uw toegenegen neef,

J.P. Eringa v.d.m.

(AN)

Noten

  1. 1

    J.P. Eringa, zie brief nr. 26 (12.3.1887), n. 6.↩

  2. 2

    Het antwoord van ON op J.P Eringa’s brief, zie brief nr. 157 (13.6.1902), blijkbaar gedateerd op 6.7.1902, is onbekend.↩

  3. 3

    2 Sam. 1:20.↩

  4. 4

    DPN schreef aan daarover aan J.P Eringa in een brief van 13.6.1902.↩

  5. 5

    Vgl. Matth. 23:24 (SV).↩

  6. 6

    Jac. Eringa, zie brief nr. 43 (3.7.1888), n. 7.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 157. J.P. Eringa aan O. NoordmansUtrecht159. Ouders aan Oepke →