Stichting dr. O. Noordmans
Plaats in de uitgave: Laren (Gld.)
Weergave
Lezen
Lettergrootte

492. Ph. Kohnstamm1 aan O. Noordmans

Ermelo, 11 januari 1935

Hooggeachte Heer Noordmans,

Ik stel er prijs op, nu de synode de beslissing heeft gebracht in de hoogleraarskwestie, u met een enkel woord te zeggen, hoe buitengewoon moeilijk het voor mij zou zijn geweest, als ik aan de beslissing had moeten meewerken. Want ik erken ten volle de grote kwaliteiten van Berkelbach2 voor de pastorale vakken, maar anderzijds weet ik, dat voor de dogmatiek niemand zozeer een sieraad van deze leerstoel zou zijn geweest als gij. Ik weet niet, of persoonlijk deze gang van zaken u heeft bedroefd, of zelfs aangegrepen. Maar juist daarom was het mij een behoefte, u deze woorden te schrijven voor wij elkaar maandag weer ontmoeten.3 Mondeling komen nu eenmaal nuchtere Hollanders zoveel moeilijker tot het uitspreken van waardering dan van tegenover elkaar staande gevoelens. En tevens wil ik uiting geven aan de hoop, dat uw voorlichting op dogmatisch gebied voor de Nederlandse, en in het bijzonder voor de Utrechtse studenten zich ook in de komende jaren verder zal blijven ontwikkelen, gelijk zij dat heeft gedaan in de jaren, die achter ons liggen. Wees overtuigd van mijn zeer vriendschappelijke gevoelens. Tot ziens, maandag a.s., naar ik hoop, uw

Ph. Kohnstamm.

(AN)

Noten

  1. 1

    Ph.A. Kohnstamm, zie brief nr. 348 (26.5.1925), n. 4.

  2. 2

    S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, zie brief nr. 415 (27.4.1932), n. 3.

  3. 3

    De vergadering van KO geconvoceerd voor maandag 18 januari.

Bureau
← vorige491. A.M. Brouwer aan O. NoordmansLaren (Gld.)volgende →493. G. van der Leeuw aan O. Noordmans
Bureau