674. R. Dijkstra1 aan O. Noordmans
Putten (G.), 18 juli 1941
Hooggeachte Heer en Vriend,
Op deze dag wil ik niet achterblijven om mijn hartelijke gelukwensen op uw 70ste verjaardag uit te spreken. Gij zijt volgens de psalmist2 nu bij de sterken en ik hoop dat ge bij de zeer sterken komt èn voor uw familie èn voor kerk en theologie. Het schijnt dat uw vruchtbaarste jaren na uw zestigste gevallen zijn dus wij verwachten na uw 70ste nog menige verrassing. Het boek waar ik het meest van genoten heb is Augustinus,3 dat ik lees en herlees. Vooral de bladzijden over de val van Rome, waarmee Augustinus zich zo heeft bekommerd hebben mij bijzonder geboeid. Ook al door het voorgevoel van wat komen zal, denk ik. En dan hoop ik, dat ge de kracht moogt ontvangen de liturgische kwestie tot het einde te mogen uitvechten, want daar dreigt onze hele reformatorische ontwikkeling in te blijven steken op de meest noodlottige wijze. Het jaar onzes Heeren4 is een treurig symptoom van de verwording onzer huidige theologie. Overigens is het een lust om te leven als er niet zoveel te betreuren was in het wereldleed van ons wegstervend geslacht. Germania contra Russia erit finis mundi aut initium gentis novae.5 Ik hoop dat ge deze dag niet al te zeer overstelpt wordt met gelukwensen, al zullen velen in hun hart u nog veel goeds, werklust en werkkracht toewensen. Het deed mij goed u nog even te zien op de begrafenis van Visser.6 Ik mis in hem een zeer toegewijd vriend wie ik veel te danken heb. ’k Heb vrijdags voor zijn dood nog een goed uur bij hem doorgebracht maar hij was ‘bekommerd’ en een zijner laatste woorden was ‘Ik zie een vacuum.’ Dat was tragisch maar is het ook niet het tragisch lot van Gods kerk in deze tijd? Wij genieten hier zeer van de rust en de stilte na de vele luchtalarms in Amsterdam. Groet mevrouw en de kinderen hartelijk van ons en wees Gode bevolen. Uw dw.,
R. Dijkstra.
(AN)