949. R. Dijkstra1 aan O. Noordmans
Putten, 16 juli 1954
Beste Vriend,
A.s.. zondag zal het 83 jaar geleden zijn, dat je het levenslicht tegemoet schreide en ik wil niet achterblijven om mijn vreugde en dankbaarheid te betuigen dat je jaartal klom tot volle som om met Bilderdijk te spreken. Je was 31 jaar toen je in ’t ambt kwam en hebt de volle 40 jaar uitgediend. Ik was 37 en bracht het slechts tot 28 dienstjaren, maar hoe vruchtbaar was ook je emeritaat, hoe groot was Gods genade, dat ook in deze laatste jaren je geest helder en fris bleef, ondanks de lichamelijke hindernissen, ik kan wél zeggen: ge zijt ziek voorzover je geesteskracht het wil. Maar dit neemt niet weg, dat de aardse tabernakel wordt afgebroken, volgens de nieuwste theologie zal het gebouw niet met handen gemaakt, straks nog op zich laten wachten, maar ik houd het toch met onze catechismus, dat de opstanding des vleses inhoudt dat mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden. Ik las deze dagen weer eens in je Zoeklichten, een bundel die mij zeer lief is en die ik bij herhaling lezen moet, omdat het bij mij anders niet bezinkt, zoveel nieuwe gedachten wekt het boek in me, zoals b.v. het stuk over de opstanding, waarbij je zeer treffend Kohlbrugge aanhaalt. Wat is het christelijk leven boeiend, als je nagaat hoe de ene gedachte de andere oproept en alle denken vermoeid terugvalt in de openbaring Gods. Onze laatste levenstijd is wel een meditatio vitae aeternae2 en toch keert die meditatio ook telkens tot dit leven terug als Gods gave. De Here der Gemeente geve je nog kracht en levensruimte voor de meditatio, totdat Hij komt. Met hartelijke groeten, ook aan de familie, tt.,
R. Dijkstra
(AN)