Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A · 5. Idsegahuizum en Piaam

Weergave

233. H. Guittart1 aan O. Noordmans

Minnertsga, 27 juli 1909

Amice fraterque,

Uw verontwaardiging kan ik mij volkomen begrijpen; ook mij kwam deze polemiek van Groot Enzerink2 al bijzonder ongelukkig voor. Misschien zou Kuyper hem zelfs wel met succes wegens belediging kunnen vervolgen.3 - Inzake Van Lummel4 had m.i. Groot Enzerink wel gelijk; de Gereformeerden hebben een eigenaardige manier van schijntucht te oefenen, en schijngetrouwheid te betonen. Maar toch: onze ellende kunnen we niet met Gereformeerde ellende verontschuldigen. - Een ogenblik heb ik erover gedacht in een ingezonden stukje te protesteren. Maar een formeel bezwaar weerhoudt mij. Kan een redactielid een ingezonden stuk schrijven in zijn eigen blad? Daarmee wordt verraden, dat de redactie niet homogeen is, en dat kan pas blijken in een eventuele redactievergadering. Ongelukkig genoeg schijnt in dit seizoen zo’n vergadering niet gemakkelijk bijeen te roepen. Met De Minjer5 praten wil ik wel; trouwens vooruit weet ik al, dat hij ’t met ons eens is; maar wat helpt dat? Hij is medewerker en daarmee uit. Zou Van Eyck6 zo’n polemiek, als nu laatst van Groot Enzerink, goedkeuren? Ik kan ’t me niet voorstellen. ’k Zal er hem eens over spreken. Wat uw voorlopige vraag betreft,7 ik wil u daar wel openhartig over schrijven. Als ik van mijn eigen rubriek ontheven werd, zou ik dat baantje misschien wel kunnen waarnemen. Maar, als uw verontwaardiging bekoeld is, bedenk dan eens: àls er conflict komt met Groot Enzerink, verliezen we: 1. vele lezers in Leeuwarden. 2. de medewerking van L. Boorsma8 voor onze predikbeurtenlijst. 3. komt dan natuurlijk weer een nieuw plaatselijk blaadje van Groot Enzerink concurreren met ons Hervormd Zondagsblad. 4. verliezen we aandeelhouders. Word nu niet boos op mijn opportunisme. M.i. moet het Groot Enzerink gezegd worden, dat hij ons blad gedupeerd heeft, eerst door zijn onhandige polemiek met Niemeijer;9 nu door zijn schandelijke polemiek met Rullmann10 ... Maar als ’t hem zó gezegd wordt, dat hij heengaat, vrees ik zeer, dat ons hele blad eraan gaat. - Kunnen we hem niet zover krijgen dat hij wegens drukke werkzaamheden bedankt voor eind-redacteur en gewoon redacteur wordt? - Hij heeft ’t immers altijd zo druk. Dat Van der Grient,11 als logé van Groot Enzerink een stichtelijk stukje schreef, vind ik nu niet zo erg; en gij ook niet, als uw toorn maar wat bedaard is. Is het ook wel juist, dat Van Eyck ons met Groot Enzerink heeft opgeknapt? Wij wilden een blad oprichten; er wàs een blad van Groot Enzerink.12 Beide partijen wilden fusie. Kòn hij toen gepasseerd?13 Slotsom: ik ben het royaal met u eens; alleen mijn temperament is wat anders; daar kunnen we geen van beiden veel aan verhelpen; en - ik ga eens met Van Eyck praten. Tenslotte: Heb een recht aangename vacantie, en breng wat reis-indrukken voor ons blad mee. Met vele hartelijke groeten, ook van mijn vrouw, tt.

H. Guittart.

(AN)

Noten

  1. 1

    H. Guittart, zie brief nr. 189 (1905), n. 8.↩

  2. 2

    J.W. Groot Enzerink, zie brief nr. 224 (24.12.1908), n. 3.↩

  3. 3

    Niet achterhaald. Een resonantie van ON’s ontstemming wordt gevonden in de notulen van de predikantenvereniging van 14.9.1909. ON bracht daar bezwaren te berde tegen artikelen van Groot Enzerink, ‘waarvan hem de toon mingewenscht voorkomt.’ Groot Enzerink verdedigde zich daartegen en de vergadering sprak uit dat hij persoonlijk verantwoordelijk zou blijven voor zijn schrijven als hoofdredacteur. Wel werd het gewenst geacht dat de redactieleden onderling voeling zouden houden.↩

  4. 4

    C.W.J. van Lummel (1856-1940), geref. pred. te Waarder 1887, Delft 1889, Zuidland 1909-1933.↩

  5. 5

    N.C.J. de Minjer (1854-1928), herv. pred. te Hoogblokland 1885, Leerdam 1889, Sexbierum 1891-1926 em., lid van de redactie van het Hervormd Zondagsblad.↩

  6. 6

    H. van Eyck van Heslinga, zie brief nr. 205 (6.2.1908), n. 1.↩

  7. 7

    H. Guittart was secretaris van de Friese Predikantenvereniging en van de redactie van het HZ. Gezien de context zou Noordmans hem voorgesteld kunnen hebben de functie van Groot Enzerink bij het HZ. over te nemen.↩

  8. 8

    Onbekend.↩

  9. 9

    Polemiek van Groot Enzerink met C.J. Niemeyer van de Ver. van vrijzinnig hervormden (vgl. brief nr. 231 (24.7.1909)). Geen nadere gegevens.↩

  10. 10

    J.C. Rullmann (1876-1936), geref. pred. te Garijp 1903, Berkel-Rodenrijs 1911, Utrecht 1913, Wassenaar 1928, werd bekend als de historicus van Afscheiding en Doleantie en van de Antirevolutionaire Partij. Van zijn hand verschenen o.a. de Kuyper-bibliografie 3 dln. (Kampen 1923-1940); De strijd voor kerkherstel in de Nederlandsche Hervormde Kerk der XIXe eeuw (Amsterdam 1915); De Doleantie in de Nederlandsche Hervormde Kerk der XIXe eeuw (Amsterdam 1916).↩

  11. 11

    J.J. van der Grient (1872-1944), herv. pred. te Giessen-Oudkerk 1896, Maassluis 1906, Kerkdriel 1925, Brielle 1929-1933.↩

  12. 12

    In Leeuwarden voerde Groot Enzerink reeds de scepter over een plaatselijk Hervormd Zondagsblad. Dit blad werd in het najaar van 1908 voortgezet als provinciaal kerkelijk weekblad.↩

  13. 13

    Voor het hoofdredacteurschap.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 232. A.M. Brouwer aan O. Noordmans5. Idsegahuizum en Piaam234. Oepke aan zijn moeder →