Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A · 7. Laren

Weergave

398. Th.L. Haitjema1 aan O. Noordmans

Groningen, 22 april 1931

Hooggeachte ds. Noordmans,

Na afloop van onze conferentie in het Broederschapshuis2 gevoel ik de behoefte aan u te schrijven. Na mijn vertrek uit Bilthoven ben ik van uur tot uur versterkt in de overtuiging, dat de schijnbare mislukking der conferentie tot grote dankbaarheid stemmen moet. Wij zijn bewaard voor eenheidsbetoon,3 dat onwaarachtig zou geweest zijn. Dat het zo liep, spijt mij voor u. Met u en uw theologische gedachtenwereld gevoel ik mij op het innigst geestverwant. De dominerende, leidende stroming in ‘Kerkopbouw’ gaat echter m.i. dwars tegen u en mij beiden in. Daar gaapt o.a. een onoverbrugbaar diepe kloof tussen de voorzitter van Kerkopbouw4 en u. Uw interpretatie van het communiqué, dat uit de conferentie met de vrijzinnigen voortvloeide,5 wordt door prof. Brouwer in de diepste zin van het woord genegeerd, al polemiseert hij er uiteraard niet tegen. Een maar al te duidelijk bewijs daarvoor kunt ge vinden in het ingezonden stuk van zijn hand, dat ik uit het Utrechts predikbeurtenblad uitknipte en u hierbij ter kennisname toezend. Ik zou heel gaarne dit ingezonden spoedig van u terug ontvangen, als gij het gelezen hebt. De aan- en onderstrepingen zijn niet van mij, maar van een vriend van het Hervormd Verbond (of van Kerkopbouw?), die het nummer mij toezond. Dit ingezonden stuk verraadt: 1e. dat dr. Brouwer het bewuste communiqué zo uitlegt, dat voor uw exegese geen klankvol accent kan overblijven. Hij concludeert eenvoudig: wie zonder voorbehoud verklaart Christusbelijder te zijn, van die moeten wij zonder verdere navraag geloven dat hij het is. Ja, wat m.i. erger is, van die allen moet de Kerk (met een grote K) ook oordelen dat zij het zijn. Ik wijs er tevens op dat dr. Brouwer’s theologie het ‘Christusbelijder willen zijn’ aldus moet exegetiseren, dat het betekent: geformuleerde uitdrukking pogen te geven aan een vorm van innigverborgen Christus(be)leven, dat primair is en waarvan de belijdenis slechts secundaire, intellectuele en uiteraard zeer gebrekkige vertolking is. Deze exegese sluit de uwe wezenlijk uit en laat geen plaats over om het volgende zinvol te poneren: Christusbelijder willen zijn = in de houding des geloofs willen gaan staan onder Christus’ kruis, van welke stelling het onmiddellijke uitvloeisel moet zijn, dat niet het mystieke leven, maar de Evangelieprediking (dat is het Woord!) primair moet zijn. Verder is de uitbreiding die dr. Brouwer geeft aan deze bereidheid tot acceptatie van Christus-belijders onder vrijzinnigen (wat ik in uw geest evenzeer bereid ben te doen, maar alleen in uw geest!) m.i. noodlottig voor uw exegese van het communiqué. Hier ligt een overgaan van vrijzinnige personen, die tot Entscheidung bereid zijn (- en dat kunnen alleen, om met Kierkegaard6 te spreken, ‘Einzelnen’ zijn -), naar de (jong-) moderne richting als richting, wat noodlottig is voor uw opvattingswijze. En bovendien, als het over die richting gaat, mag dan ons oog gesloten zijn voor die vele uitingen van schijnbare toenadering tot Christocentrische spreekwijzen, die nochtans voortkomen uit een wereld van religieuze grondgedachten, waaromtrent ik met alle kracht staande houd, dat daarin ‘met klimmende stoutheid de historische grondslag van het Christelijk openbaringsgeloof ’ (zie dr. Brouwer’s ingezonden) ondergraven wordt? Neen, onder de indruk van de jongste ontwikkelingsvormen der theologie, en niet enkel ‘onder de indruk van de radikale kritiek der oud-modernen,’ is er grond genoeg om op ernstig gevaar voor principiële terzijdestelling van het Christelijk geloof te wijzen. In de derde plaats past op uw uitlegging van het communiqué en de houding van de vereniging ‘Kerkopbouw’ in ’t algemeen (dat n.l. niet aan Kerkpolitiek wordt gedaan, maar dat een ‘medium quid’ als iets nieuws beproefd wordt) niet de wijze, waarop dr. Brouwer in dit stuk de namen van dr. Hoedemaker en mij in het geding brengt, terwijl hij weet dat noch Hoedemaker noch ik theologische uitzichten openen, welke in dezelfde richting wijzen als waarin de vereniging ‘Kerkopbouw’ wijst. Ik ben geneigd deze aanhalingen min of meer tendentieus te noemen. In ieder geval zijn ze in het kader van dit betoog schuldig, ‘missverständlich’. Ik heb, thuisgekomen, het bewuste communiqué nog eens gelezen en herlezen. Ook op zichzelf genomen schijnt me uw interpretatie van dit stuk geforceerd. Zeker, gij hebt dat alles, wat u zei in Bilthoven, er in willen laten uitkomen, maar ... slechts heel zwak hebt u tenslotte uw accent klankvol kunnen maken. Andere tonen domineren. Niet de eis der besliste Evangelie-prediking is hier primair, maar het ‘willen zijn van Christusbelijder’ en het ‘verklaren’ dat te willen zijn. Over de Evangelieprediking wordt pas daarna gesproken. Ook is de invoeging van dat woordje ‘mede’ voor ‘door de Kerk’ een droeve geluidsdemper voor de tonen, die u wilde doen horen. Dit communiqué, zoals het daar ligt, zet de besliste Christus-prediking der Kerk jammerlijk op het spel en levert in beginsel de rijke, diepe Gereformeerde belijdenis van onze kerk uit aan het overleg der moderne cultuurtheologen, die slechts de droefste spraakverwarringen kunnen ontketenen, als zij materieel zullen gaan constateren, wat de ene geloofsbodem voor hen is (en met moderne cultuurtheologen bedoel ik hier natuurlijk theologen over heel de linie; ik sluit mijzelf in). Onverzoenlijk schijnen mij de standpunten van ‘Kerkopbouw’ en ‘Kerkherstel’. Ik trachtte het verschil scherp te doen uitkomen door telkens voor de enge poort van de primaire eis der ‘reorganisatie’ te brengen. En telkens bleek (- ook bij de korte afwijzing van het grote Synode-voorstel -) dat men het gemeenschappelijk ‘uitgangspunt’ van ‘Kerkherstel’ in het moderamen van ‘Kerkopbouw’ radikaal verwerpt. Slechts één ‘uitgangspunt’ is m.i. iets, waarmee men het in onze verwarde tijd gemeenschappelijk wagen kan. ‘Kerkherstel’ waagt het daarmee welbewust en onverzettelijk. Dat eist principieel verzet van meet af tegen iedere poging om het theologische overleg inzake de inhoud van de belijdenis te laten voorafgaan aan de ‘reorganisatie’ der kerk. Toenadering acht ik evenwel in ’t geheel niet onmogelijk. Wij hebben van ‘Kerkopbouw’ dankbaar de herinnerende waarschuwing gedurig te aanvaarden, dat wij toch niet menen moeten dat met reorganisatie alles gewonnen is. Al die andere programmapunten van ‘Kerkopbouw’7 moeten ons na aan de schenen gelegd worden, opdat wij bewogen, ontroerd over de nood der kerk, mogen blijven inzien, dat onmiddelijk na de ‘reorganisatie’ die wereld van problemen op ons afkomt en wij er dan niets van mogen laten liggen ... Aan de andere kant wilde ik wel dat ‘Kerkopbouw’ wat meer bewogen wilde worden onder het besef, hoe jammerlijk de huidige synodale organisatie van onze kerk de levensadem benauwt. De geest van het oud-liberalisme moet in ons kerkelijk wetboek worden ontmaskerd. De principiële dubbelzinnigheid, die hier gereglementeerd is, is profanatie van het heilgeheim der Christus-openbaring. Om dat in te zien, zal men dieper moeten indringen in de geest van onze kerkelijke reglementen, dan men tot dusver bereid was te doen. Men kan niet volstaan met ons Ontwerp-Organisatie-rapport door te lezen zonder het huidige regelementenkader er achter te stellen. Prof. Kohnstamm8 kon van een ‘mentaliteit’ in onze formuleringen gewagen, die hem zo vreemd aandeed als oud-liberalistisch (ik denk aan de clausule ‘Vorst en Vaderland’;9 - maar wist hij niet, dat dit verwijt niet ons gold, doch het klimaat van onze huidige kerkelijke wetgeving, bij welke wij als reorganisatie-commissie genoodzaakt waren aan te knopen, opdat er een voorstel in reglementaire vorm kon geboren worden, dat niet alle overgangen vanuit het bestaande miste en dus terwille van het voornaamste (de geheel andere grondlijnen) niet op alle slakken in bijzaken zout leggen mocht? Daar deze brief breder en algemener is geworden dan ik zelf aanvankelijk van plan was te schrijven, zou ik gaarne willen dat allereerst prof. Brouwer en voorts ook de anderen in Bilthoven aanwezig dit schrijven lazen. Met hartelijke groeten, Uw dw. en toegenegen,

Th.L. Haitjema.

(AN)

Noten

  1. 1

    Th. L. Haitjema, zie brief nr. 352 (24.6.1926), n. 4.↩

  2. 2

    KO had in april 1931 twee conferenties. De eerste op 9 en 10 april met het moderamen van de vereniging van Vrijzinnig Hervormden en de tweede op 20 en 21 april met een aantal vertegenwoordigers van het Hervormd Verbond tot Kerkherstel. Beide conferenties vonden plaats te Bilthoven in het Broederschapshuis op initiatief van KO. De eerste conferentie verliep aanmerkelijk gunstiger dan de tweede. Na de eerste werd een verklaring opgesteld met de volgende inhoud: ‘Wij verklaren den tegenwoordigen kerkelijken toestand ernstig te betreuren en ieder voor zich de verantwoordelijkheid daarvoor te aanvaarden; als Christusbelijders samen te willen werken om tot betere kerkelijke verhoudingen te geraken, allereerst door met het oog op den nood van den tijd de belijdenis van Christus als den van God gezondenen ootmoedig en beslist tot uiting te brengen; en erkennen, dat de Evangelieprediking niet een zaak is van eigen believen, maar een opdracht, die mede door de kerk tot ons komt; en dat deze belijdenis een erkenning insluit dat aan allen, die daarmede instemmen een rechtmatige plaats in de kerk toekomt; en samenspreking in den thans gehouden trant te willen bevorderen.’ Vgl. KO 1 (24.4.1931) nr. 1. Op deze vergadering hielden Brouwer en ON een inleiding. Zie hiervoor verder VW 5, 88-97. De tweede conferentie leidde tot de volgende verklaring: ‘De vergadering van vertegenwoordigers van het Hervormd Verbond tot Kerkherstel met het voorlopig moderamen van Kerkopbouw, bijeen te Bilthoven op 20 en 21 april, verklaart, met dankbaarheid en algemene instemming gekomen te zijn tot de overtuiging der noodzakelijkheid, een commissie van contact tusschen de beide vereenigingen in te stellen.’ Op deze vergadering spraken dr. Boissevain en prof. Kohnstamm. De aanwezige vertegenwoordigers van KHe waren: Th.L. Haitjema, G. Oorthuys, J. Riemens, R.B. Evenhuis en N. van der Snoek.↩

  3. 3

    In gelijke bewoordingen liet Haitjema zich uit in NKL 1 (mei 1931) nr. 9. Zie ook VW 5, 96, n. 5, en 101, n. 4.↩

  4. 4

    A.M. Brouwer.↩

  5. 5

    Zie n. 2.↩

  6. 6

    Zie: Sören Kierkegaard (1813-1855), Deens filosoof en literator.↩

  7. 7

    Zie VW 5, 95, n. 2 en 3.↩

  8. 8

    Ph.A. Kohnstamm, zie brief nr. 348 (26.5.1925), n. 4.↩

  9. 9

    Dit betreft art. 9 van het Ontwerp 1929: ‘Het bestuur en opzicht over de Gemeenten, zooals dat ... door de verschillende Kerkelijke vergaderingen uitgeoefend wordt, beoogt in het bijzonder de toegewijde zorg voor den bloei der Nederlandse Hervormde Kerk, de handhaving harer leer ..., de uitbreiding van Gods Koninkrijk, de bevordering van de kennis der heilswaarheid en van christelijke zeden, en de aankweking van liefde voor Vorstenhuis en Vaderland.’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 397. O. Noordmans aan P.H.Th. Stevens7. Laren399. A.M. Brouwer aan O. Noordmans →