Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Idsegahuizum en Piaam

Weergave
Passages naar Readwise sturen

215. Oepke aan zijn moeder

Idsegahuizum, 14 juli 1908

Lieve Moeder,

Gisteren ben ik in Bolsward geweest om nog eens tenslotte te spreken met de steenhouwer Cuperus over het grafmonument van Van der Schans.1 Het was klaar, behalve de text. Nu was er eigenlijk voor die text geen plaats meer. We moesten dus beraden waar we die zouden zetten. Daarom moest ik in Bolsward zijn. Ik heb nu het plan geopperd op de beide zijden een text te zetten. Aan de ene zijde: ‘Ook gij waart met Jezus de Nazarener’ uit Marcus 122 en aan de andere zijde: ‘Waar Ik ben aldaar zal ook Mijn dienaar zijn.’3 Maar waar ik eigenlijk op wilde komen is het volgende. Naast het grafmomument van Van der Schans lag de steen van vader. Het was een treffend gezicht. Verleden jaar zaten ze beide nog naast elkander in mijn pastorie, de oude en de jonge man, en nu waren daar naast elkaar geplaatst de grafzuil en de grafsteen. Het was een mooie steen, die met het opschrift van vader. De hoeken van de steen zijn geschulpt met bloemen. Boven het opschrift twee takken: de eikentak en de klimoptak als symbool van het mannelijke en het vrouwelijke. Daar beneden het opschrift en daaronder de text. Nu deed zich echter een eigenaardig geval voor. Zo goed ik mij herinner heb ik op verzoek van moeder als text opgegeven: ‘Er blijft dan een rust over voor het volk Gods.’4 Toen ik nu de steen zag, las ik: ‘Zalig zijn de doden die in de Heere sterven, Openbaring 14:13b.’ Toen ik bij de steenhouwer was, ben ik daarop niet gevallen. Maar toen ik er gisterenmiddag met Van Dijk, die hier was, over sprak, dacht ik ineens: Hé, daar staat een andere text op de steen dan wij opgegeven hebben. Ik kon niet zeggen dat het mij speet. De text die er op staat is eigenlijk nog beter dan de andere. En ’t is een gedachte die niet zonder troost is, dat wij het schriftwoord niet zelf genoemd hebben. Maar dat ’t er buiten ons om opgekomen is. Deze week zal de steen in Oosterend gelegd worden. Ik teken nu nog even de steen uit. Wie krijgt uit deze tekening geen goede indruk van de steen? ’t Is werkelijk een mooi stuk werk. Ik zal de steenhouwer verzoeken moeder een tekening te zenden. Hierbij zend ik moeder nog toe een machtiging die even ondertekend moet worden. Moeder moet maar tekenen op de gewone wijze: G.O. de Roos, op de plaats waar ik een potloodkruisje heb geplaatst. Eerst goed lezen! Bovendien moet dan de datum voor het woord juli worden ingevoegd: de datum van de dag waarop moeder tekent. Na tekening ontving ik het stuk gaarne terug. Ik kon het misschien ook meenemen dinsdag a.s. en het moeder dan laten tekenen. Maar dan moet ik dinsdag over Scharnegoutum naar Sneek en als ik het stuk terugkrijg, kan ik ook woensdagmorgen dadelijk naar Sneek gaan. Het kan zo uitkomen dat dat mij beter past. Gaarne ontving ik bij terugzending van het stuk een schrijven waaruit ik kan te weten komen hoe het met moeder gaat. Betsie zal daar zeker wel voor willen zorgen. Met vriendelijke groeten ook aan Betsie, uw u liefhebbende zoon,

Oepke.

(AN)

Noten

  1. 1

    W.M. van der Schans (1872-1908), zie brief nr. 160 (19.9.1902), n. 1.↩

  2. 2

    Mark. 14:67.↩

  3. 3

    Joh. 12:26.↩

  4. 4

    Hebr. 4:9.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 214. Oepke aan zijn moederIdsegahuizum en Piaam216. A.M. Brouwer aan O. Noordmans →