463. J.H.C. Kamsteeg1 aan O. Noordmans
Gorssel, 30 juli 1934
Beste Noordmans!
De ochtendpost bracht me je overdrukje over Schleiermacher.2 Vriendelijk dank daarvoor. ’k Heb het in een ruk uitgelezen en... ’t is weer het oude, wat telkens over me komt als ik wat van je lees, ik kijk bewonderend naar je op. Heus, ik zeg dat niet op salonfähige conversatietoon, maar in ernst. Het is voor mijn gevoel eenvoudig geweldig zoals je de dingen beheerst. Je hanteert de geweldigste dingen als waren het eenvoudige gereedschappen. Het ligt nog open, je boekje op blz. 246, en ik grijp maar wat hier voor de hand ligt en dat is nog niet eens het meest sprekende, maar daar heb je het doodrustig even over Montaigne, volgende bladzijde: ‘à la Beets, niet op de wijze van Byron.’3 Zoals ik zeg, dat is nog maar heel weinig latend uitkomend van wat ik bedoel, al helpt het ook wel een weinig. Maar zoals je die tijd van ± 1800 weet, tekent, uiteenzet de Bildung van toen, in tegenstelling met de cultuur van nu. Het is net of je met rustige voeten zo maar door alle eeuwen heenwandelt, of je met alle grote geesten vertrouwelijk gesproken hebt, of je met verstilde glimlach, juist door die gang der eeuwen, over de nerveuze onrust van onze tijd spreken kunt. Jij hoort - zo komt het me voor - meer dan enig ander schrijver (bij Aalders4 vind ik dat ook terug) het rustig getik van Gods uurwerk. Jij bestaat - niet alleen schrijft of praat of denkt - meer eschatologisch dan de gewone mens. Vandaar gaan je ogen zo rustig de voorbije dingen bekijken en ‘nooit zwijgt bij jou volkomen die ontroerende muziek’5 van eerbied en ontzag, die alle eschatologisch gebeuren toch omspelen zal. Je verkwikt me steeds met zo’n lafenis-overdruk. Vriendelijk dank. Met hartelijke groet weer graag je vriend,
J.H.C. Kamsteeg.
(AN)