470. J.H.C. Kamsteeg1 aan O. Noordmans
Gorssel, 19 october 1934
’t Kwam ’s avonds met de post, dat licht groene boekje.2 ’k Zat te schrijven. Stop. Ik las en ik las het achter elkaar uit. Toen naar beneden en ’k zei tegen m’n vrouw: zeg, als je nu eens wat heel, heel moois lezen wilt, dan heb je hier ’n overdrukje van Noordmans. Prachtig! Wil je geloven dat ik m’n ogen vochtig heb voelen worden. Goedhard3 was bij je in de kerk geweest, toen hij hier logeerde. ’k Had hem hevig aangespoord om naar Laren te gaan en toen heeft hij me natuurlijk van je preek verteld, Jeruzalem nederdalende uit de hemel (Openb. 21), heb ik gevoeld de troost-klank van dat Jeruzalem, heb ik stil geluisterd toen hij ook vertelde van Melchizedek, die je toen ook liet zien en nu ligt daar voor mij, zo’n kostelijke overdenking. Vriendelijk dank ik je voor dit geschenk. ‘Te vroeg voor de hemel en te laat voor de aarde.’4 Zo iets komt alleen uit jouw pen. En om nooit te vergeten is zo’n tere tekening van de kerk hier op aarde. Wil je geloven dat je overdrukje me zeer heeft verkwikt? Maar aan de andere kant ook neergeslagen. Ik heb zo gans geen moed meer om m’n mond open te doen na de lezing van zo’n preek. Niet omdat ik het zo nooit zal kunnen, - d’r was er immers maar één die 5 talenten5 kreeg - maar omdat ik mijn woord zo wanhopig onvoldoende dan voel. Gelukkig neemt God dat wel weer wat van me af en ... dan ben ik maar heel dankbaar dat er nog mensen zijn die naar me luisteren willen en dat God me nog laat in m’n werk. En dan lees ik weer eens in je boekje en ... ik verheug me innig dat ik de schrijver van die preek kennen, ja zo kennen mag, dat ik z’n innerlijke stem versta. Met vriendelijke groeten ook aan je hele huis als steeds gaarne tt
J.H.C. Kamsteeg.
(AN)