159. Ouders aan Oepke
Scharnegoutum, 14 september 1902
Geliefde Oepke,
Zeer verlangend zagen wij na de ontvangst van het verblijdend telegrafisch ‘geslaagd’1 uit naar enig nader en uitvoeriger bericht, want hoewel dit ene woord rijk genoeg was aan inhoud om ons te verblijden en onze harten te stemmen tot het ootmoedig dankgebed aan de Here onze God, zo was dit ene woord toch geheel ontdaan van alle omhulsel. Hartelijk feliciteren wij u nu met dit welslagen en gelukkig ten einde brengen van uw studiën. De Here zegene verder deze uw arbeid en zonder hierbij iets meer te voegen, weet gij de stemming van de harten van uw u liefhebbende vader en moeder te uwen opzichte zeer goed.
Hij, die helpt in nood,
maakt zijn weldaan groot
Zingt des Hoogsten lof,
Hij geeft rijke stof.2
Vermoedelijk gaan moeder en ik van woensdag 17 tot vrijdag 19 september naar Tzum. Wij hebben felicitaties voor u ontvangen van uw broeder Jakob, van Van der Meer, van Zandstra3 (buurman) en verder mondeling van ds. Flieringa (die, uw adres niet wetende, het u niet persoonlijk kon doen) en enige omringende buren en hedenmorgen van Ds. Brouwer.4 Deze zullen wij u maar niet opzenden per post; brieven zijn er anders nog niet voor u ingekomen. Verder valt er van huis uit niets te melden; gij zijt nog pas van huis. Het plotseling invallende gure weer is mij als koud water op het lijf gevallen, zodat ik bijna halve dagen zit te rillen van de koude. Heden zijn moeder en ik de gehele zondag thuis. Moeder was gisteren en vannacht niet recht wel - en nu, niet wetende hoe het verder gaan zou, moesten wij vanmorgen wel thuis blijven. Gelukkig schijnt het met een sisser te zullen overgaan, althans hedennamiddag is dat al weer veel beter. Zijt verder hartelijk van ons gegroet, uw u liefhebbende vader en moeder
D.P. Noordmans, G.O. de Roos.
(AN)