Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

596. W.A. Zeydner1 aan O. Noordmans

Rotterdam, 4 april 1938

Waarde Noordmans,

Vanochtend hadden wij Uitvoerende Commissie Kerkopbouw. Brouwer vraagt u, op de moderamenvergadering de belangrijke kwestie van de amendementen in te leiden.2 Mag ik u dringend vragen, dit verzoek aan te nemen. Wij moeten Kerkopbouw vasthouden.3 Evenhuis4 zei laatst: Als het Reglement verworpen wordt, dan moet Kerkherstel opgeheven worden en ons reorganisatiecomité5 het werk overnemen. Dit zou alleen mogelijk zijn, wanneer wij als tegenprestatie Kerkopbouw konden opheffen. Sneuvelt het te vroeg, dat betekent het, dat wij in Kerkherstel terecht komen. Daarom bezoek ik de vergaderingen van de uitvoerende Commissie trouw, al valt het mij met mijn drukke werk zwaar en al zit er positief niet veel meer in Kerkopbouw. Met hartelijke groet, Uw

W.A. Zeydner.

In haast, na middernacht -.

(AN)

Noten

  1. 1

    W.A. Zeydner, zie brief nr. 595 (3.4.1938), n. 1.↩

  2. 2

    In de notulen van de Uitvoerende Commissie van 4.4.1938 wordt dit punt genoemd. ON zal gevraagd worden op de vergadering van het uitgebreid moderamen van 8.4.1938 ‘een inleiding te houden om ’t Ontwerp t.o. de amendementen te verdedigen.’ Hierbij de aantekening: ‘Secundus Zeydner.’ De amendementen waren opgesteld in opdracht van een reorganisatiecomité van voorstanders van het Ontwerp 1938 (n.3); zie P. Scholten e.a., Critiek en Amendementen op de reorganisatievoorstellen 1937 (Nijkerk 1938). A.M. Brouwer had zelf reeds in de synode van januari voorgesteld dat in art. 8 de zinsnede ‘de zorg voor de belijdenis der kerk’, gewijzigd zou worden in ‘de zorg voor het belijden der kerk’. In een manuscript met de titel Moeilijkheden in Kerkopbouw vertelt Brouwer, die in art. 8 van het Ontwerp het woord ‘belijdenis’ vervangen wilde zien door ‘belijden’, dat op de moderamen vergadering de brochure Het Reorganisatieontwerp verdedigd van P. Scholten werd besproken, ‘dat grotendeels tegen mij gericht is’. Brouwer twijfelt aan de integriteit van Zeydner): ‘Zelf had ik voorgesteld aan de Uitv. Commissie Noordmans te vragen, de inleiding te houden. Toen was door Zeydner gezegd: is ’t niet beter de brochure v. Scholten als inleiding te hebben. Ik had daaruit afgeleid, dat Noordmans nu niet meer gevraagd zou worden...Ik sprak daarover even met Noordmans, en die zei: ‘ja, ik heb wel een inleiding; ds. Zeydner heeft mij dit gevraagd.’ Weer een vreemd geval. Zeydner verklaarde dit zo: hij, Z., was secundus geweest; hij zat er niet zo in en had daarom Noordmans geschreven om het toch vooral te doen. Afijn, Noordmans hield dan een inleiding. Mijn bezwaren (nl. dat de goede bedoeling van het ontwerp nog geen garantie was voor een goede uitvoering en dat de driehonderd jaar oude belijdenisgeschriften nu niet als criterium voor rechtzinnigheid aangelegd konden worden) bleek hij niet begrepen te hebben.’ Uit de (klad)notulen van de moderamenvergadering (8.4.1934) valt de inhoud van het referaat van ON als volgt te construeren: ON geeft de opvatting van Brouwer weer, dat het Ontwerp onaanvaardbaar is als er niet bepaalde amendementen aan worden toegevoegd. Hij zegt dat men wel moet weten wat er gebeurt als het Ontwerp niet wordt aangenomen. Want nu heeft de kerk een burgerlijke orde, geen kerkorde. Zij heeft predikanten, ambtenaren, reglementen, die niet kerkelijk zijn, maar die alleen betrekking hebben op ‘partijwezen’: ‘Dus een kerkorde met gevaren is mij meer lief dan de politieke, burgerlijke orde van nu.’ Verder verklaart ON geen begrip te hebben voor B.’s voorkeur voor ‘belijden’ en de angst voor ‘belijdenis’. Naar de mening van ON is het Ontwerp 1938 niet statisch, wanneer daarin gepleit wordt voor ‘zorg voor de belijdenis door hervorming en handhaving, opdat het geloof der kerk in haar verkondiging en in haar symbolische en liturgische geschriften steeds zuiverder tot uitdrukking kome en opdat de openbaring van God, Vader, Zoon en Heilige Geest naar de heilige Schrift, als regel van geloof en leven worde geëerbiedigd en het karakter der kerk als kerk van Christus worde bewaard.’ Dat gold ook reeds voor het Ontwerp KO (1934), waarin voor soortgelijke bewoordingen was gekozen. Hier ligt juist een fuik voor de belijdenisgeschriften!’ In KO 7 (april 1938) nr. 12 wordt uitgebreid verslag gedaan van de vergadering van het uitgebreid moderamen van KO over het Ontwerp n.a.v. de brochure van P. Scholten Het reorganisatieontwerp verdedigd (Nijkerk 1938). De discussie werd ingeleid door Noordmans en Brouwer. Verslag inleiding Noordmans: ‘... Hij betoogde dat met het verwisselen van het woord ‘belijdenis’ met ‘belijden’ toch niets wezenlijks veranderde, en dit een woordenkwestie is. Waarop het aankomt is, dat onze kerk, die met haar ten dele bestuurlijke organisatie, een burgerlijke en niet kerkelijke organisatie bezit, haar uitzonderingspositie in de wereld nu eindelijk eens prijs geeft. Men moet toch ook wel het onderscheid in acht nemen tussen herzien van de liturgische geschriften en hervorming van de belijdenis: dat zijn geheel ongelijke grootheden. Wat de leertucht betreft, als men alle kwesties tot in de Synode wil uitvechten, dan zou men een incidentele dogmatiek krijgen, zo dik als een talmoed. Het was beter dat in de classes te laten doen en alleen bij belangrijke vragen de Synode te laten beslissen. Trouwens, iedere veroordeelde had recht op hoger beroep. Als de Synoden het Reglement hanteren, krijgen wij iets anders dan dat het zoals nu door de besturen gebeurt.’↩

  3. 3

    De opmerkingen van Zeydner zijn eerst recht te verstaan, wanneer men bedenkt dat op de in n. 1 genoemde vergadering gesproken werd over het voortbestaan van KO. Op de genoemde moderamenvergadering zou Brouwer een inleiding houden over, zoals hij het in Moeilijkheden noemt: ‘de wenselijkheid om bij elkaar te blijven en een vereniging te houden waar rechts en links elkaar ontmoeten.’ Verderop schrijft hij dan: ‘Zoals het zich laat aanvoelen gaan Scholten, Van der Leeuw, Kohnstamm, Noordmans, als de zaak beslist is, ook Zeydner, die naar ’t mij voorkomt nu in de Uitv. Comm. blijft, om daar zijn invloed te houden; men zou ook kunnen zeggen: om daar te kunnen spionneren) en dan zeker wel anderen mee KO uit.’↩

  4. 4

    R.B. Evenhuis, 1e secretaris van KH; zie brief nr. 399 (2.6.1931), n. 7.↩

  5. 5

    Dit reorganisatiecomité bestond a) uit de voorstanders binnen de synodale reorganisatiecie.: R.B. Evenhuis, Th.L. Haitjema, G. van der Leeuw, H. Mulderije, O. Noordmans, P. Scholten, J.E. Uitman, C.G. Wagenaar, J.G. Woelderink en L.S. van Zwet en b) uit: S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, K.J. Brouwer (zendingsdirector), J.P. van Bruggen (predikant te Amsterdam), J. Eijkman (directeur AMVJ), Ph. Kohnstamm, T.G. van Reeuwijk, G.E. van Walsum, A.B. te Winkel en W.A. Zeydner↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 595. W.A. Zeydner aan O. NoordmansLaren Gld.597. G. van der Leeuw aan O. Noordmans →