721. O. Noordmans aan W.A. Zeydner1
Laren, 13 maart 1944
Amice,
Hartelijk dank voor je brief van 6 maart j.l.,2 die mij goed deed. Bakhuizen3 was weinig ingenomen met mijn benoeming en liet dat duidelijk merken. Ofschoon er van hier uit veel tijd en moeite verbonden is met commissoriale arbeid, meende ik toch niet te mogen bedanken. Nu ik eindelijk toch niet op de afgesproken vergadering kon komen, gaf ik het tenslotte op. - Maar waarom schreef Bakhuizen zelf niet, als ik mij vergist heb met dat ‘meer dan dat’?4 Wat je bedoelt met de aanbeveling van Roodenburg5 door mij, begrijp ik niet goed. Ik ben mij daarvan niet bewust. Dat moet een vergissing zijn. Nu de publiciteit minimaal is en de gelegenheid voor discussie bijna geheel ontbreekt, raakt de beslissing in sommige dingen onder invloed van het toeval. Men mag daar geen misbruik van maken door de kerk voor ‘faits accomplis’ te stellen. Stem in het kapittel hangt dan af van woonplaats en gelegenheid. Met name de liturgische vragen zijn m.i. absoluut niet rijp voor een oplossing onder de bestaande omstandigheden. Tot nog toe hebben zij heel sterk onder invloed gestaan van beginselen, die vreemd zijn aan de leer der Hervormde Kerk. Het Handboek6 is een afschrikwekkend voorbeeld van wat men al improviserende in een bepaalde kring tevoorschijn kan brengen. En de Liturgiek van Van der Leeuw,7 waarvan Bakhuizen nog pas het principiële deel zo sterk heeft aanbevolen,8 is wel meer bezonnen dan het Handboek, maar de hoofdlijnen zijn geheel in strijd met wat de kerkdienst volgens Hervormde beginselen moet zijn. Wij houden geen eredienst met de engelen, maar de engelen dienen met ons onder het kruis, zoals die engel, die Jezus troostte in Gethsemane. Van der Leeuw is met zijn Liturgiek over een verkeerde wissel gereden en kan niet terug. En een groot deel van de jongere predikanten gaat, zoals zo vaak, half gedachtenloos in een beweging mee, omdat men het isolement vreest. Intussen met hartelijke groeten, steeds gaarne uw vriend,
O. Noordmans.
(AWAZ)