732. W.A. Zeydner1 aan O. Noordmans
Rotterdam, 30 juni 1944
Beste Noordmans,
Doordat ik de laatste tijd wat overwerkt was, heb ik u niet dadelijk geschreven bij het overlijden van uw zoon. Gij zijt de laatste tijd niet uit mijn gedachten geweest. Het zware leed, dat u en uw vrouw is opgelegd, weet gij Gods liefde te zijn. Hier vallen alle woorden van mensen weg en Gods Woord blijft alleen over, de enige troost in leven en sterven.2 Zelf heb ik veel leed de laatste jaren meegemaakt en nog meer gezien. In Amersfoort3 sprak ik veel met de ter dood veroordeelden. Ook heb ik veel zorg over de veiligheid van mijn zoon. Dikwijls heb ik gedacht, wanneer Gods tegenwoordigheid in bijbellezen en gebed mij tot grote troost was: Hoe zou je het dragen, wanneer je moest ondervinden: Delf vrouw en kindren ’t graf?4 Het verlies van je bezit of je vrijheid, of je positie is toch niet te vergelijken met het afstaan van een kind. Toen we in mei 1940 onder een bombardement wegvluchtten, keek je maar naar je vrouw en kinderen: Goddank, zij zijn er nog! Die beproeving is u op de schouders gelegd. Uw kaart heeft mij gesterkt. God is liefde: ‘Noordmans is staande gebleven. Beproefd en gelouterd’, was mijn eerste dankbare gedachte. Dit is blijdschap in God maar de leegte blijft ook. En ook het dal van de schaduwen des doods.5 Blijf aan mij denken in vriendschap, zoals uw naam in mij steeds de blijdschap wekt van een vaderlijk vriend. De genade des Heren Jezus Christus en de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij u en de uwen tot zegen.6
W.A. Zeydner.
(AN)