640. G. van der Leeuw1 aan O. Noordmans
Ginneken, 2 augustus 1939
Amice,
De historie der zaak is deze: Van liturgische kant drong men bij Callenbach en mij aan op uitgave van mijn weerwoord in boekvorm. Callenbach meende, dat dit niet lonend zou zijn, omdat de interessenten het reeds in Woord en Wereld2 zouden hebben gelezen. Leeflang3 kwam toen op het denkbeeld van een uitgave der gehele controverse: mijn stuk, jouw stukken en die van Van de Pol.4 Ik gaf gaarne mijn toestemming, maar met de conditie, dat ik gelegenheid zou hebben voor een zeer kort slotwoord. Ik meende - en meen - dat dit juist is, omdat wij (de Liturgen) de aangevallenen zijn en met een weerwoord van jou de zaak topzwaar wordt. Je argument hiertegen is mij niet duidelijk. Je boek is in eerste, tweede en derde instantie een aanval en op zijn vroegst in de vierde een behandeling van de Locus liturgicus. Je zegt dat trouwens in je boek zelf.5 Ook maak je een zwakke indruk, wanneer je geen gelegenheid geeft tot repliek op je verschillende aanvallen. En waarom de discussie tot heden en niet tot 20 augustus? Dit heden is geen heden der genade! Intussen geef ik je graag toe. Maar ik doe dit alleen om deze twee redenen: 1. omdat je ouder bent dan ik; 2. omdat jij het bent. Hartelijk gegroet, je
G. van der Leeuw.
(AN)