746. G. van der Leeuw1 aan O. Noordmans
’s-Gravenhage, 17 augustus 1945
Amice,
Hartelijk dank voor uw brief.2 Ja, voor mijn plezier heb ik dit niet gedaan. Ik ben afgesneden van alle studie en bezinning. Maar ik meende deze taak niet te mogen weigeren en ik tracht haar te vervullen als een gebod van God.3 Wel hebt gij, met uw Augustinus, gelijk, dat de staat een roversuitvinding is.4 Ik merk dat dagelijks. Maar wij behoren daartoe en hebben er onze taak in. Gij hebt gevaar geleden en vergeleken met u zijn wij er goed afgekomen, al zaten wij dan ook te Groningen midden in het gevecht en al zijn wij met onze zoons herhaaldelijk alleen door een wonder ontsnapt. Wat uw zoon betreft, ik vrees, dat ik voor hem niets kan doen. Zijn geval is dat van duizenden. Het is een zeer onbillijk geval. En het gratis-eindexamen van hen, die in de 6e kl. Gymnasium of 5e HBS zijn gekomen, heeft slechts een klein deel van de onbillijkheden weg kunnen nemen en er zeer vele bijgemaakt. Op de weg van het KB5 kunnen wij niet voortgaan: het aantal onbillijkheden zou nog groter en de willekeur grenzeloos worden. Ja, de aansluiting aan het leven is voor deze jonge mensen moeilijk te vinden. Mijn beide oudste zoons ondervinden dit, die lange tijd illegaal hebben gewerkt en nu in de studie terug moeten. En tallozen zijn in hetzelfde geval. Wij zullen er doorheen moeten! Houd u goed en wees Gode bevolen. Met hartelijke groet,
G. van der Leeuw.
(AN)