Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

682. O. Noordmans aan H. Kraemer1

Laren (G.), 19 december 1941

Waarde Kraemer,

Gij hebt mij een paar rechtstreekse vragen gesteld,2 die ik gaarne wil beantwoorden. Het briefje deed mij goed om zijn franke toon. Daarom vind ik het haast jammer, dat mijn zwijgen niet bewust opzettelijk is geweest. Want dan had ik een even direct antwoord kunnen geven. Nu moet ik ’t mijzelf ook tegelijkertijd terechtleggen, waarom uw brochure3 enige tijd - niet ongelezen - bleef liggen. Er zijn enige uiterlijke redenen: ik ben druk in deze tijd van ’t jaar; ik had twee tijdschrift-artikelen onder handen, waarvan een over Aalders’ Ethiek;4 door kolennood een-kamer-stelsel; mijn vrouw de laatste weken zonder gedienstige. Voeg daarbij dat ik door geografisch isolement de laatste tijd wat uit mensen en dingen raak, dan is er al een en ander verklaard. Maar nog niet alles en dat laatste wenst gij te weten. Of ik ook bezwaren heb tegen uw leiding inzake Gemeenteopbouw.5 Daarom wil ik daar ook regelrecht op ingaan, aan de hand van uw brochure. Wanneer gij daarin de eenheid van Christus en de kerk naar voren brengt,6 dan geschiedt dat terecht. Daarin ligt opgesloten dat de belijdenis van Christus geen blote formulering is, maar een werk, een dienst, een gave (1 Cor.12:4-6). Maar daarin ligt tevens een voortgang. In de evangeliën is de kerk er pas in embryo. Zij treedt in de Handelingen aan ’t licht. De discipelen worden dan apostelen. Christus is dan niet lichamelijk, maar naar zijn majesteit, godheid, genade en Geest in ’t midden. De tegenwoordigheid van Christus is een andere geworden. Zij is evengoed een werkelijkheid, maar deze bestaat meer geestelijk. Ten opzichte van het Evangelie is alles daardoor gewijzigd. Het hart, het oor en de mond hebben tegenover het oog en de hand in betekenis gewonnen. Dat is het verschil tussen kerk en koninkrijk. In de evangeliën zijn ook geen ketters denkbaar, evenmin als in de hemel. Die kunnen er alleen zijn in de bedeling van de ‘disputa’,7 die begint met de Handelingen en de Brieven. Wanneer u nu op blz. 109 in onderscheiding van waarheid en heiligheid een ‘nieuwe zijns-dimensie’ naar voren brengt,8 dan maak ik daar op zichzelf geen bezwaar tegen. Maar in verband met het bovenstaande is het toch geboden voorzichtig te zijn. Wanneer God ons van het koninkrijk naar de kerk leidt, kunnen wij niet terug. Bijbels realisme is niet van aardse hantering. Het ‘eigen denken, spreken en handelen’ <109>9 dat er mee samenhangt is ons reeds gegeven in het Nieuwe Testament. Het denken is de vorm van belijdenis, het spreken in de bediening, het handelen in de gave. Wij mogen deze uitgedrukte beelden niet terugdrukken op het indifferente ‘zijn’, om dan opnieuw af te wachten welk reliëf zij zullen gaan vertonen. Wij mogen het Evangelie niet terugspellen in de onbepaalde wijs. De apostelen hebben het als verbum finitum10 gepredikt. Daarom lees ik ook uw tweede kerngedachte, dat de leidende figuren minder theoretisch en meer energetisch moeten worden, met gereserveerdheid.11 De christelijke belijdenis, de bedieningen en gaven hebben meer voor de instandhouding der kerk gedaan dan de energetiek. Zij zijn in bepaalde vormen door de Heilige Geest gewekt en in die ‘zijnswijze’ kennen wij Christus. Wij mogen daarachter niet teruggaan om te herbeginnen en af te wachten wat er komen zal. Op het zendingsveld niet en in de kerk a fortiori niet. Dat geldt van alle drie punten, die u aansnijdt: het richtingsvraagstuk, de belijdenis en de reorganisatie.12 Wij kennen de ‘oerchristelijke sfeer’13 uit de Handelingen en de Brieven. En daar is de voortgang aanwezig waarop ik boven wees. Wij zijn daar in de kerk en niet meer of nog niet in het koninkrijk. De belijdenis, de bediening en de gaven zijn er. En daarmee heeft het terugtreden van oog en hand, waarmee wij iedere meer onbepaalde zijnswijze benaderen, plaats gehad. Wij horen nu met het oor; wij geloven met het hart en belijden met de mond.14 In alle drie zit iets van de rechtlijnigheid, die u bestrijdt. Er is niets aan te doen, al kennen wij de gevaren die er aan verbonden zijn nog zo goed. Een man als Groen is bij ons volk geliefd gebleven om zijn rechtlijnigheid, omdat hij zo was als Evangeliebelijder.15 Ook na aftrek van het juridische blijft er nog genoeg over. Door de ‘goede’ rechtlijnigheid is ons volk nog wat het is. Kennen wij de oerchristelijke sfeer wel voldoende om er op terug te grijpen? Wanneer daarmee bedoeld is een mystieke eenheid met Christus buiten de kerk om, dan zouden wij ons misschien op één lijn met die christenen kunnen stellen; want daarvan weten wij niets: Rome door zijn altaardienst en het modernisme door zijn historisme hebben beiden getracht een ‘sfeer’ te scheppen, waarin het rechtlijnige van minder betekenis werd voor het volk. Wanneer wij geen ‘sfeer’ zoeken te scheppen, maar ons houden aan het zeer bepaalde van de Handelingen en de brieven, dan worden wij voor de tweede maal nog eens naar de lijn gedrongen. Want de geestelijke gave, zoals die daar naar haar engere betekenis voorkomt, is zo zeldzaam geworden, dat zij met het ontstaan der kerk schijnt samen te hangen. Zonder andere vastigheden zou de kerk wel geen duur gehad hebben. Alles bijeen genomen vrees ik dat, in een zogenaamde oerchristelijke sfeer, die min of meer van haar belijning was ontdaan, diegenen een ongerechtvaardigd grote invloed zouden hebben, die nu eenmaal de sfeer boven de lijn stellen, de modernisten en de liturgisten. Dat zou het geval zijn met betrekking tot de richtingen, de belijdenis en de reorganisatie. Bij activering in die sfeer zouden zij minder last hebben van de hindernissen, de waarheidsvraag en problemen der kerkorde. Alles zou in mystische of practische richting verbogen worden. En de rechtlijnigen zouden als spelbrekers terzijde staan. Dit alles wordt merkbaar zodra een vrijzinnig gedelegeerde een orthodoxe kerkeraad bezoekt en met voorbijgaan van de waarheidsvraag aandringt op het scheppen van een sfeer. Waarbij dan tevens de kerkorde wordt stilgezet en ideeën en wenken ter tafel worden gebracht, à l’improviste of in commissie buiten de bestaande gemeenteleiding om. Hiermee heb ik dan, waar u mij op mijn verantwoordelijkheid hebt aangesproken, eveneens openhartig en vriendschappelijk geantwoord. Wanneer ik minder uw bedoeling dan wel de gevaren van uw bedoeling heb bestreden, dan kan ook dat zijn goede zijde hebben. Overigens wilt u wel van mij geloven, dat ik uw brochure en de daarachter liggende actie waardeer als het werk van een man, die voor onze kerk en ons volk van grote betekenis is en nog moge worden. Met vriendelijke groet, uw dw.

O.Noordmans.

(AHK)

Noten

  1. 1

    H. Kraemer, zie brief nr. 609 (19.10.1938), n. 3.↩

  2. 2

    Zie brief nr. 681 (15.12.1941).↩

  3. 3

    H. Kraemer De nood der Kerk, empirisch en principieel (’s-Gravenhage 1941). Ook in: H. Kraemer De Kerk in beweging (’s-Gravenhage 1947), 103-123.↩

  4. 4

    ‘Dogmatiek en Ethiek’, VW 6, 483-492.↩

  5. 5

    Zie brieven nr. 688 (4.3.1942) en nr. 691 (10.4.1942), n. 1.↩

  6. 6

    Zie brief nr. 665 (13.1.1941).↩

  7. 7

    Zie: H. Kraemer De Kerk in beweging, 104, 108, 113.↩

  8. 8

    De Kerk in beweging, 109: ‘Het Nieuwe Testament leert ons, dat Christen-zijn en gemeente-zijn een andere, door God geschonken en gewilde zijns-dimensie is.’↩

  9. 9

    Ibidem: ‘... Deze nieuwe zijns-dimensie brengt een eigen denken, spreken en handelen met zich mede.’↩

  10. 10

    Lat: bepaald werkwoord.↩

  11. 11

    De Kerk in beweging, 112: ‘Het aantal mannen en vrouwen, vooral het aantal der leidende figuren, die ervan doordrongen raken, dat hun weten toch eigenlijk nog te zuiver theologisch en stichtelijk is, en niet werkende, niet energetisch is, moet toenemen.’↩

  12. 12

    De Kerk in beweging, 112vv.↩

  13. 13

    Een term die Kraemer in zijn brochure bezigt. De ‘oer-Christelijke sfeer’ ziet hij als enige mogelijkheid voor een vreedzaam samenwonen der richtingen (114). In deze sfeer komt men door zich in de kerk voortdurend bewust te zijn ‘te spreken over eigen en elkaars levende relatie tot God en zijn heilsdaden in Christus’ (117).↩

  14. 14

    Ontleend aan Rom. 10:8-9.↩

  15. 15

    Van Mr. G. Groen van Prinsterer (1801-1876), leider van de antirevolutionaire en confessionele richting binnen het Réveil, is een bekende uitdrukking: ‘Een staatsman niet, een Evangeliebelijder.’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 681. H. Kraemer aan O. NoordmansLaren Gld.683. H. Kraemer aan O. Noordmans →