758. O. Noordmans aan H. Kraemer1
Lunteren, 10 maart 1946
Waarde Kraemer,
Reeds geruime tijd geleden ontving ik van u de beide werkjes Kerk en Humanisme2 en De Roeping der kerk.3 Mijn hartelijke dank voor de toezending, die ik steeds zeer op prijs stel. Zowel om de inhoud als ook omdat ik zeer gevoelig ben voor zulk een bewijs van vriendschap. Ik heb toen niet dadelijk op de toezending gereageerd, daar u op het punt stond naar Indië te gaan. Maar laat mij u nu allereerst mogen gelukwensen met uw benoeming tot leider van het Oecumenisch Centrum te Genève.4 God geeft u wel grote kansen om met uw gaven werkzaam te zijn. Geloof mij als ik u zeg, dat ik mij daarin van harte verheug. De fenomenale dynamiek van uw geest heeft ruimte nodig. Daarom vermoed ik, dat u, als lichamelijke en geestelijke globetrotter, u wel eens wat benauwd zult voelen in onze kerkelijke kringen. Vermoedelijk behoor ik ook wel tot uw smarten, omdat ik wat gereserveerd sta tegenover sommige dingen uit de kerkelijke actie. Uw antwoord op mijn vraag op de predikantenvergadering van 1944 heb ik gelezen en ernstig overwogen.5 Bij uw vele en veelsoortige arbeid mag ik u eigenlijk niet lastig vallen met lange brieven. Anders zou ik zeker wel eens eerder en vaker naar de pen gegrepen hebben. Houd u echter onder alles overtuigd dat ik diepe eerbied heb voor het diep-gedragen elan, waarmee u zoekt in te grijpen in de critieke situatie, waarin wij ons allen, heiden en christen, bevinden. Dat daarachter geen overmoed schuilt, maar dat u het uit gehoorzaamheid wilt doen, daarvan ben ik overtuigd. De weerstanden, die er zijn te overwinnen, zult u sterker gevoelen dan een van ons allen en van ongerechtvaardigd optimisme zal men u niet mogen verdenken. Ik heb deze dagen uw Christian Message6 nog eens herlezen en overwogen en daarmee vergeleken wat u schrijft in De Roeping.7 Verschillende hoofdgedachten keren in dat laatste terug. Een vergelijking is bijzonder leerzaam, omdat men de genesis van uw kerkelijke actie8 dan beter begrijpt. Het is in wezen een zendingsactie in de kerk. Het is niet alleen interessant, maar ook zeer vruchtbaar om op te merken, hoe datgene, wat op het zendingsterrein als vanzelf uit de daar aanwezige verhoudingen geboren wordt, in de kerk ook een zijde heeft, waardoor het werkt als een knuppel in een hoenderhok. Dat dit niet duidelijker uitkomt, althans aanvankelijk, maar zich langzamerhand nog slechts laat aanvoelen als een toenemende spanning, behoeft niet bepaald zonder meer als een voordeel te worden aangemerkt. In een bepaald opzicht was het voor de toekomst van uw actie beter geweest, als u de kerkelijke weerstand sterker had ontmoet. Dat ons predikantencorps, met name natuurlijk in dit geval de jongeren, zo gemakkelijk beschikbaar is voor een actie in gelijke geest, is eer een gebrek dan een deugd bij deze groep. Er is één ding dat de jongere predikant meer vreest dan de dood, nl. alleen te komen staan. In dat opzicht zijn onze predikanten Saksers. Ik heb dat levenslang geobserveerd. Men vermijdt liefst ieder conflict. Wat mij zelf betreft, heb ik sommige van de lijnen die u trekt, zoals de apostolische roeping van de kerk, de plasticiteit van het dogma in de richting van de nood der tijden, de uitbouw van de presbyteriale kerkorde, de opsmelting van de bestuursinrichting in de charismatische begaafdheid der lidmaten, tussen 1930-1938 steeds weer uitgestippeld en bepleit. Daarnaast heb ik echter het wezen der kerk in het pastoraat gezocht en achter het pastoraat voor de kerk steun gezocht in een brede episcopale gezindheid. Het dynamische kreeg daarbij een statisch tegenwicht. En met dit episcopaal-pastorale krijgt dan ook het dogma een grotere vastheid dan het in de zuiver-dynamische lijn kan behouden. Zo komt het dat ik mijn reserve moet hebben en voorlopig houden. Daarbij komt nog iets van andere aard. Voor een kerk is m.i. deze actie te veel een planmatige onderneming. Dit hangt ten dele samen met het feit, dat zij uit een bredere zendingsactie geboren is. U zelf spreekt in uw boek met de Engelsen vaak van ‘missionary enterprise’. Zulk een planmatige onderneming is m.i. voor een gevestigde kerk weinig geëigend. Men heeft u de ‘staatsman’ der zending genoemd. En u zelf hebt dit als ‘statesmanship’ op de predikantenvergadering van 1944 voor de kerk willen overnemen. U hebt het ook toegepast. U is diplomatisch te werk gegaan. U is begonnen met vriendschap te sluiten met de Oude Synode. U hebt daarop het Weekblad der Nederlandse Hervormde kerk vrijwel in handen gekregen met Stufkens.9 U hebt classicaal kader gevormd. De omzetting van de Synode had iets van een staatsgreep door het ontbreken van de gewone mogelijkheden van publiciteit door de pers, en van de mogelijkheid om te reizen. Alles was doortrokken van een latitudinarisme,10 dat meer Engels is dan Nederlands, meer anglikaans dan hervormd, meer missionair dan kerkelijk. Dat dit alles zo vlot verliep is inderdaad een proeve van ‘statesmanship’. Dat dit kon slagen hangt ongetwijfeld samen met de algemene materiële en geestelijke nood, maar ten dele toch ook is het een kerkelijke revolutie, waarvan de verantwoording nog achterwege is gebleven. Ik zei reeds dat de meegaandheid van het predikantencorps niet uitsluitend een creditpost is in dit geval. De dogmatische keerzijde van de kerkelijke beweging is uw bijbels realisme, waarin u fundamentele levenshoudingen in de plaats stelt van meer zakelijke en rationele waarheidsvormen. Daarover kan ik hier natuurlijk niet veel zeggen. Het zou een brede uiteenzetting vragen. De vraag of de waarheid restloos in het ethische opgaat is in ons land lang besproken en tenslotte ontkend. De Heilige Geest spreekt in ieders taal en ook deze taal heeft haar begrippen, waarmee de kerk werkzaam is. Er is weinig gelegenheid om deze dingen uit te spreken. Ik heb er iets van gezegd in het Orgaan van de Bond van Nederlandse Predikanten.11 Mogelijk heeft men het u toegezonden? Zo neen, dan heb ik een nummer te uwer beschikking. Dat is eigenlijk niet de plaats voor zulke discussies. Maar ik vermoed dat de beide bladen van de Hervormde Kerk12 voor mij in dat opzicht wel verboden terrein zullen zijn. Er is heden een zeker kerkelijk monopolie. Wij leven nu eenmaal onder wisselende regimes. Latitudinarisme heeft ook zijn exclusieve kanten. Breed voor de brederen dan men zelf is, zonder de keerzijde daarvan. - Maar laat ik niet bitter worden, dat was niet de bedoeling van deze brief. Met hartelijke groet,
O. Noordmans.
(AHK)