Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

467. J. Koopmans1 aan O. Noordmans

’s Heer Hendrikskinderen, 30 augustus 1934

Hooggeachte ds. Noordmans,

Nog wel zeer dank ik mevrouw en u voor de vriendelijke wijze, waarop u mij maandag2 hebt ontvangen. En ik ben heel blij, dat ik ook voortaan onder het werk het contact met u wat mag aanhouden. Hierbij zend ik u dan de scriptie. Behalve aanmerkingen van stilistische aard had prof. Cramer3 op het examen twee hoofdbezwaren. Allereerst: als er over het gezag der kerk gesproken worden zal, dan moet eerst vaststaan, wat onder kerk te verstaan is. Daarom had, nu over Luther en Melanchthons kerkbegrip niet is gesproken, de titel moeten luiden: ‘de verhouding van Schrift en traditie bij Luther en Melanchthon’ of iets dergelijks. Dit heb ik toegegeven, omdat ik er later (p. 24) toch niet geheel van tussen kon, Luthers kerkopvatting te gebruiken. - Ten tweede vond prof . Cramer, dat Melanchthon wel enigzins mistekend was en te ver bij Luther vandaan geschoven. Ook Calvijn kwam immers uit ’t humanisme, en stond toch ook niet zover van Luther vandaan. - Hierop heb ik geantwoord, dat het humanisme in Genève heel anders is verwerkt dan door Melanchthon (die ’t eigenlijk niet verwerkte). Uiteraard is de opzet en bedoeling van een scriptie nog veel bescheidener dan van een proefschrift. Ook is de tijd van voorbereiding veel beperkter. Daarom heb ik me hierin geheel aan de uitwendig-ordelijke gang van zaken gehouden, die ik in de dissertatie wilde vermijden, om de innerlijke samenhang zo veel mogelijk te volgen. Bij het herlezen viel m’n aandacht op de passus p. 18 sq., waar ik spreek over de verschillende wijze, waarop Luther en Melanchthon historie schrijven. Prof. Cramer merkte op het examen op, dat mijn verwijt aan Melanchthon ook Calvijn zou moeten treffen; deze kent volgens prof. Cramer ook geen ‘geschiedenis’. - En nu denk ik aan de tekening, die u gegeven hebt van de kerkgeschiedenis bij Augustinus als een vervolg op de bijbelse.4 Zou men kunnen zeggen, dat de Reformatie de scheiding van beide noodzakelijk maakte; en daarmee tegelijk de theologische exegese moest oproepen; en daarvoor weer een ‘gezag der kerk’ nodig had; waaraan ze echter vanwege de oppositie van Schrift en kerkgeschiedenis moeilijk in de theologie een plaats kon aanwijzen? Het Calvinisme zou dan in de practijk een antwoord gevonden hebben door z’n presbyteriale organisatie, waarin de Schrift opnieuw een kerk schiep. Bij voorbaat dank ik u zeer voor de opmerkingen, die de scriptie op haar terugweg naar Zeeland zullen vergezellen. Met vriendelijke groeten ook voor mevrouw en met de meeste hoogachting uw dw.

J. Koopmans.

(AN)

Noten

  1. 1

    J. Koopmans, zie brief nr. 456 (22.5.1934), n. 16.↩

  2. 2

    Op 27 augustus 1934 is Koopmans op bezoek bij ON in Laren geweest.↩

  3. 3

    J.A. Cramer, zie brief nr. 311 (25.8.1919), n. 1.↩

  4. 4

    VW 3, 90.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 466. A.M. Brouwer aan O. NoordmansLaren Gld.468. O. Noordmans aan P.H.Th. Stevens →