Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

504. J. Koopmans1 aan O. Noordmans

’s Heer Hendrikskinderen, 14 mei 1935

Hooggeachte ds. Noordmans,

Onlangs schreef ik u, dat ik u gaarne nog eens zou willen schrijven in verband met de dissertatie-plannen, en wel nadat ik antwoord van prof. van Rhijn2 had gekregen op een voorlopig ontwerp, dat ik hem toezond. Nu wil het geval, dat prof. van Rhijn maar niet terugschrijft, nadat hij m’n brief toch al zeker twee maanden in huis heeft. Graag zou ik dus niet langer willen wachten, met aan u te schrijven, te meer, omdat ik enigszins in een impasse begin te geraken, vooral na een gesprek, dat ik verleden week had met Slotemaker (M.C.).3 -- Aan prof. van Rhijn heb ik in hoofdzaak het volgende geschreven: voorlopig zijn vier paragrafen geprojecteerd, nl.: I. De theologische discussie over het gezag der kerk in verhouding tot de autoriteit der Schrift. Dit had ik me gedacht als een uitwerking van wat in m’n scriptie alleen voor Luther en Melanchthon is gedaan. Het gaat dan over wat Erasmus, Luther en Melanchthon, Eck4 en Cochlaeus,5 Bullinger,6 het Tridentinum7 en tenslotte Calvijn hebben gezegd over de verhouding van Schrift en traditie en over de autoriteit van patres en concilies. II. Het kerk-’begrip’ van Calvijn, onder vergelijking met Rome en Luther. Wat denkt zich Calvijn, wanneer hij ecclesia8 zegt? Wat is de verhouding van zichtbare en onzichtbare kerk? Wat is communio sanctorum?9 Deze paragraaf zou kunnen uitlopen op een onderzoek naar de betekenis van ‘auctoritas ecclesiae,’10 dat enkele malen op uiterst merkwaardige wijze wordt gebruikt; en van ‘ministerium ecclesiae.’11 Dit wijst meteen de weg voor de verdere behandeling der stof. III. Het kerkelijk ambt. Hieronder zal het met name moeten gaan over de betekenis van de prediking, waarbij bepaaldelijk een vergelijking met de lutherse opvattingen en de lutherse praktijk van belang is. Zonder in een opzettelijk onderzoek daarvan af te dwalen, zal toch het verschil tussen Luther en Calvijn ten aanzien van de verhouding van Woord en Geest niet geheel onbesproken mogen blijven, natuurlijk in strikte beperking tot het onderwerp van de dissertatie. IV. De kerkelijke tucht. Daarmee zijn we, voorzover ik op het ogenblik zie, bij de typisch calvinistische opvatting van het gezag der kerk. Afzonderlijk zal gehandeld dienen te worden over de leertucht en over de tucht op het leven, aangezien Calvijn zelf dit onderscheid nadrukkelijk maakt. En het zal moeten gebeuren aan de hand van de gebeurtenissen en kwesties te Genève. -- Slotemaker meende, dat er nog een paragraaf aan toegevoegd diende te worden over de betekenis van de kerk voor de ordening der samenleving, en dat dat het eigenlijk is, waarop we nu zitten te wachten. Zelf had ik me voorgesteld, hiervan het een en ander te verwerken onder III en IV, maar Slotemaker denkt, dat het daarvoor toch op zichzelf te belangrijk is. Daar staat weer tegenover, dat hierover reeds meer dan eens is gewerkt, waarop Slotemaker antwoordde, dat hij het geen luxe achtte, wanneer het nog eens ‘critisch’ gebeurt. Een bezwaar tegen het gehele plan acht ik zelf nog dit, dat het eerste hoofdstuk eigenlijk wel van enigszins andere aard is dan de rest. Maar het onderwerp zou m.i. gemutileerd worden, als het in het geheel niet ter sprake kwam, wat in die eerste paragraaf moet komen te staan. -- Een nog veel grote bezwaar is wellicht dit, dat dit alles veel te veel is voor een dissertatie (waarbij nog de practische overweging komt, dat het boekje om de kosten niet te dik mag worden). De greep is wel wat te hoog voor wie nog zozeer aan het begin staat als ik. Niet alleen van de beheersing van de stof, maar ook van inzicht in de grote strukturen wordt voor een dergelijk onderzoek eigenlijk meer gevraagd, dan men aan het begin kan geven. Dit is zonder valse bescheidenheid gezegd (want ik loop rond met grote plannen voor de toekomst), maar in kennis van m’n grenzen. Bovendien heb ik genoeg respect voor de academie om ook de aard ener dissertatie in het oog te houden. Zodoende zie ik op het ogenblik drie mogelijkheden, zonder tot een keus te kunnen geraken. Graag zou ik willen, dat u me met enige raad over het dode punt zoudt willen heen helpen. 1e. Ik aanvaard het risico van te hoog te grijpen, in het vertrouwen op een gelukkig gesternte, en houd zoveel mogelijk aan de opzet vast, zoals ik die aan prof. van Rhijn schreef, eventueel met toevoeging van een paragraaf als Slotemaker voorstelde. Het nadeel hiervan is al duidelijk in het licht gesteld. Het aantrekkelijke is, dat het zo gaat om de dingen, die ik me oorspronkelijk had voorgesteld te behandelen. 2e. Ik betreed een veelbetreden pad, maar tracht dat te doen op een critische wijze, en bespreek (eventueel na een inleiding over kerk, ambt en tucht bij Calvijn) het kerkstaat-ideaal en zijn verwerkelijking te Genève. Het bezwaar hiervan is, dat het voor een dissertatie toch beter is een onderwerp te nemen, waarover nog niet zoveel is gewerkt; het voordeel is tweeërlei, nl. tegenover 1e, dat ik een veel meer welomschreven onderwerp heb, en in ’t algemeen, dat de kwestie zo urgent is. 3e. Ik waag me niet te zeer buiten de grenzen mijner jeugd en mijner capaciteiten, en maak van de inleidende schets, die in de brief aan prof. van Rhijn onder I geprojecteerd is, een uitvoeriger studie, die dan het gehele proefschrift vult. Wel is het jammer, dat dan de dingen waarom het me eigenlijk gaat nauwelijks ter sprake komen. Ook blijft deze stof wel veel academischer dan in de andere plannen. De betrekking tot de vragen van vandaag is veel minder duidelijk. Een hele reeks nadelen dus. Maar er staat ook veel tegenover, waardoor dit me feitelijk op het ogenblik nog het meest aantrekt. De stof is minder droog dan zij lijkt. Achter elk der gestalten opent zich een perspectief, dat even aangeduid kan worden, op de wijze zoals ik dat ook in de scriptie heb gedaan. Het onderwerp is veel scherper bepaald dan de andere, terwijl het toch een punt betreft, dat niet te ver buiten het middelpunt der Reformatie is gelegen. Het is voorzover ik weet, nog niet opzettelijk behandeld, al bestaan er natuurlijk wel monografieën over ‘De Heilige Schrift bij...’ of ‘De Kerk bij...’, en er zijn verschillende aardige ontdekkingen in te doen. -- Voorts is er een aantal uiterlijke voordelen, die ik toch ook niet geheel verwerp. Het te bewerken materiaal is van veel geringere omvang dan in de beide vorige gevallen, zodat het boekje aanmerkelijk eerder klaar zal kunnen zijn, en ook in omvang niet te zeer zal aangroeien. De vraag is nu: zit er een dissertatie in? Gezien de ervaringen van m’n scriptie zou ik zelf denken van wel. Maar ik zou toch wel heel graag eens willen weten, wat u ervan vindt. In die andere plannen zie ik een groot gevaar, me aan het begin reeds te vertillen -- en dat zou ik toch liefst voorkomen. ’k Had eigenlijk nog eens een beroep willen doen op uw gastvrijheid, en een reis naar Laren ondernemen om met u over deze dingen te praten. De gelegenheid daartoe zou zich deze zomer stellig wel eens voordoen. Gaarne was ik nog eens opgetreden als uw pedaal.12 Maar na het gesprek met Slotemaker wilde ik maar liever niet te lang wachten. Het is tenslotte jammer om veel tijd te verliezen in het zoeken naar een definitief onderwerp. Dus zoudt u me ten zeerste verplichten, als u eens tijd en gelegenheid zoudt kunnen vinden om te schrijven, wat u van de verschillende mogelijkheden vindt. Bij voorbaat ben ik u hartelijk dankbaar voor uw antwoord. Wilt u aan mevrouw mijn groeten overbrengen? Met de meeste hoogachting, uw dw.

J. Koopmans.

(AN)

Noten

  1. 1

    J. Koopmans, zie brief nr. 456 (22.5.1934), n. 16.↩

  2. 2

    M. van Rhijn, zie brief nr. 346 (29.11.1924), n. 7.↩

  3. 3

    M.C. Slotemaker de Bruïne, zie brief nr. 446 (30.10.1933), n. 5.↩

  4. 4

    Johann Eck (1486-1543), belangrijk theologisch tegenstander van Luther.↩

  5. 5

    Johann Cochläus (1479-1552), humanist en theoloog, ook tegenstander van Luther.↩

  6. 6

    Johann Heinrich Bullinger (1504-1575), leerling en opvolger van Zwingli in Zürich.↩

  7. 7

    Concilie van Trente (1545-1563).↩

  8. 8

    Lat.: kerk.↩

  9. 9

    Lat.: gemeenschap der heiligen.↩

  10. 10

    Lat.: gezag van de kerk.↩

  11. 11

    Lat.: (ambtelijke) dienst van de kerk of kerkelijk ambt.↩

  12. 12

    ON en Koopmans fietsten samen op de tandem.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 503. A.F. Krull aan O. NoordmansLaren Gld.505. A. Langhout aan O. Noordmans →