Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

472. J. Koopmans1 aan O. Noordmans

’s Heer Hendrikskinderen, 30 oktober 1934

Hooggeachte ds. Noordmans,

U zei, toen ik u in augustus bezocht, dat u nieuwsgierig was, hoe ik uw boekje Herschepping2 zou vinden. Graag wil ik deze nieuwsgierigheid au serieux nemen en haar bekendmaking niet alleen als een vriendelijkheid opvatten. Vanmorgen kwam het boek thuis, en ik heb ’t vandaag in een non-stop-vlucht doorgelezen. Dat is niet overeenkomstig de bedoeling, waarmee het werd geschreven - dat begrijp ik heel goed. Maar ik kan u beloven, dat het nog vele malen ter hand zal worden genomen. Deze lekenhomiletiek zou uitstekende diensten kunnen verrichten als een handleiding om er enkele jaren aan theologen colleges mee te geven. En toch is ze eenvoudig en overtuigend geschreven. Met ‘eenvoudig’ bedoel ik niet: gemakkelijk. Niet-theologen zullen nog wel eens moeite hebben; maar dan waarschijnlijk niet zozeer om de vorm als wel om de inhoud. Het autonomistisch eclecticisme van ‘christelijke’ intellectuelen is een diep geworteld kwaad. Maar de eenvoudigheid van uw boek betekent daartegenover juist dit: het zal hun moeilijk vallen uw woorden anders op te vatten dan u ze bedoelt. En overtuigend. Maar dat is een lof, die niet helemaal voor u alleen is. Want het mooie is, dat bij alle oorspronkelijkheid de gedachten en hun ordening toch niet van u persoonlijk afkomstig zijn. U hebt dit gevonden in het luisteren naar Schrift en belijdenis der kerk. Van u is, dat dit hic et nunc3 en in deze klaarheid is uitgesproken. Een verheugende ontdekking was voor mij, dat men in de praktijk van prediking en katechese soms een heel eind bij z’n theologische overtuigingen vooruit kan zijn. Vooral de catechese is in dit opzicht van grote betekenis. Ik tref in uw boek verscheidene zienswijzen en zelfs zegswijzen, die al enige tijd tot de ‘vaste bestanddelen’ van mijn catechisatie behoren, en daar een vastheid hebben die groter is dan die van het theologisch inzicht. Ik denk in het bijzonder aan de verhouding van Gen. 1-11 tot Gen. 12sqq.; aan het ‘boven’ en ‘beneden’ in plaats van ‘boven’ en ‘in’.4 Dit uw Enchiridion doet mij weer sterker de behoefte gevoelen, die ik sinds Augustinus5 zie: zou het niet mogelijk zijn een moderne Catechismus te schrijven met het oog op het kerkelijk godsdienstonderwijs, waarin ook de geschiedenis en de belijdenis tesamen worden besproken? Ik denk dan vooral aan de lidmatencatechisatie. Uit pedagogische overwegingen zouden misschien de andere catechisaties wel ongeveer zo kunnen blijven (jongeren: bijbelse geschiedenis; ouderen: ‘Geloofsleer’). Voor de lidmaten heb ik reeds in Elkerzee6 19 vragen en antwoorden opgesteld, die in ordening vrijwel overeenkomen met de orde van uw boek. Alleen heb ik de ‘staten’ laten liggen, en de ‘naturen’ opgenomen;7 en natuurlijk ook over de sacramenten gesproken. Niet over de kerk: die blijft vooronderstelling. - Ik voel er nog altijd veel voor, dat boekje eens te schrijven - maar men moet ouder zijn dan ik, om dat goed te kunnen. Twee dingen in uw boek zijn mij niet recht duidelijk. Het ene noemde ik al: het voorbijgaan van de leer der twee naturen.8 Het hangt trouwens samen met het tweede. Evenals in De Openbaring der Verborgenheid9 zegt u, dat het dogma zelf niet wordt gepredikt.10 Een feit is, dat ook de catechismus op dit punt zeer gereserveerd is. De triniteit schijnt slechts een beginsel waarnaar de stof wordt ingedeeld; en de verkiezing staat meer achter dan in de antwoorden. Overigens is juist de tweenaturenleer hier wel expliciet behandeld - maar misschien schrijft u dat toe aan de toen tussen Luthersen en Gereformeerden gevoerde discussie over de christologie, zodat men wellicht meende dat de leerling op dit punt wel enige duidelijkheid mocht hebben? Ik heb echter de gewoonte, op de zondag na het Pinksterfeest te spreken over de Drie-eenheid Gods, en meen dan toch niet enkel een ‘leerrede’ te geven, niet maar een stuk waarheid, dat ook geloofd moet worden - maar wel degelijk een preek. Ook heb ik dan niet het gevoel iets naar voren te trekken, dat op de achtergrond moet blijven, of eigenlijk: ondergrond moet blijven. - En met name in onze tijd lijkt het mij niet ten onrechte gedaan, als we de gemeente wijzen op de verkiezing als grond van haar hoop. Ik begrijp dus niet goed wat u bedoelt, als u zegt, dat dit dogma niet gepredikt wordt. En wat betreft het voorbijgaan van de twee-naturenleer: waarom is de toepasselijkheid van Christus’ cosmische plaats moeilijker aan te wijzen dan die van de cosmische trappengang? Vreest u, dat het daarbij moeilijker zal zijn, los te komen uit een wijsgerig begrip van ‘cosmisch’, waardoor Gods daad van haar dadelijk karakter dreigt te worden beroofd? Of is de moeilijkheid theologisch van karakter, zo, dat wanneer we een te grote plaats inruimen aan de leer van de Middelaar, dezelfde ruimte afgeknepen moet worden van de leer van de Heilige Geest? ook dit is mij niet goed duidelijk. Maar het is een prachtig boek, waaraan ik lang te leren zal hebben. En daar is het voor geschreven. Met vriendelijke groeten en de meeste hoogachting, uw dw.

J. Koopmans.

(AN)

Noten

  1. 1

    J. Koopmans, zie brief nr. 456 (22.5.1934), n. 16.↩

  2. 2

    Herschepping. Het ‘Woord vooraf’ is gedateerd: augustus 1934 (VW 2, 214-322).↩

  3. 3

    Lat.: hier en nu.↩

  4. 4

    ON spreekt in Herschepping (VW 2, 269) over de begrippen trancendentie en immanentie en zegt dan: ‘Ook hier werkt de school vaak storend op het kerkelijk denken. De kwestie van trancendentie en immanentie stamt uit de oude wijsbegeerte. Zij wordt op godsdienstig gebied tot een tegenstelling van deïsme en pantheïsme...Wanneer wij echter zeggen, dat God boven en in de schepping bestaat, dan blijft er altijd een rest van de schoolse probleemstelling. Men doet beter met te spreken van boven en beneden. Ten opzichte van de val staat God boven zijn schepping; met het oog op haar ellende, in de verlossing, staat Hij beneden haar.’↩

  5. 5

    Augustinus, VW 3, 32-198.↩

  6. 6

    Koopmans was van 1928-1931 predikant te Elkerzee.↩

  7. 7

    Vgl. Herschepping, VW 2, 272.↩

  8. 8

    ON motiveert zijn zwijgen over de ‘tweenaturenleer’ (VW 2, 287): ‘Vroeger heb ik drieërlei dogmatische regel voor de Evangelieprediking onderscheiden. Die van vernedering en verhoging (de leer der twee staten, red.), die van de goddelijke en de menselijke natuur en die van het profetisch, het priesterlijk en het koninklijk ambt van Jezus (de leer der drie ambten, red.). Ik heb nu de eerste behandeld en zou de tweede moeten bespreken. Daarvan zie ik echter af, omdat de praktische toepasselijkheid moeilijker is aan te wijzen en ons hier te afgetrokken zou maken. Deze regel...slaapt het diepst onder de prediking. Ik wil hem hier niet wekken. Daarin ligt geen weerzin tegen het dogmatisch gebruik daarvan. Het gebeurt enkel in verband met de aard van dit boek.’↩

  9. 9

    In ‘Het kerkelijk dogma’ in De Openbaring der verborgenheid stelt ON zich ook op het standpunt dat het dogma zelf niet gepredikt wordt, maar dat het een kritische functie heeft t.a.v. de prediking (VW 2, 180vv.).↩

  10. 10

    Herschepping, VW 2, 220) onder het kopje ‘Het dogma zelf wordt niet gepreekt’: ‘Wij preken nooit over de drieëenheid of over de godheid van Christus. Wij spreken het Woord Gods. Het dogma moet ons echter waarschuwen als wij de weg van alle trouwe predikers verlaten.’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 471. J. Koopmans aan O. NoordmansLaren Gld.473. O. Noordmans aan P. Scholten →