Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

469. J. Koopmans1 aan O. Noordmans

’s Heer Hendrikskinderen, 21 september 1934

Hooggeachte ds. Noordmans,

Het wil me voorkomen, dat ik voor de dissertatie althans een voorlopige verdeling gevonden heb. En daarvan wil ik u toch graag even op de hoogte brengen. Hoe meer ik over de zaak nadenk, des te duidelijker wordt het me, dat de theologie in haar geheel zo meespreekt in ieder onderdeel, dat ik inderdaad niet mag nalaten de samenhang met het geheel te onderzoeken. Daardoor is het onderwerp dat u aangaf ook van groter bruikbaarheid gebleken dan ik oorspronkelijk meende. Dit licht is me vooral opgegaan onder het doorkruipen van de Indices op de Calvijnuitgave van het Corpus Reformatorum.2 Entre parenthèses merk ik op, dat uw karakteristiek van het Calvinisme als ‘pastoraal’3 ook een ontdekking uit dat register zou kunnen zijn; geen der ambten wordt zo vaak genoemd als dat van de pastor. Maar om dan tot de verdeling te komen - het voorlopige plan is als volgt: I. Wat verstaan de reformatoren onder ‘Reformatie’? Waarom kunnen ze met een reform geen genoegen nemen? Omdat we moeten ‘prorumpere’4 tot de ware prediking (Luther), tot de zuivere leer (Melanchthon), tot het leven uit de Heilige Schrift (Calvijn). II. De kerk in de geschiedenis. Wat verstaan de reformatoren onder ‘kerk’? Hoe denken ze zich de continuiteit met de Oude Kerk? Waarom is de Reformatie geen schisma? III. De kerkelijke prediking (met name Luther). IV. De leer der kerk (met name Melanchthon). V. De dienst des Woords (van Zwingli tot Calvijn). Dit opschrift is nog maar een worp; het pastorale karakter van het kerkelijk gezag, de tucht is er te weinig in uitgedrukt. In IV en V zal ook rekening gehouden moeten worden met de humanistische achtergrond (in verband met I). Ik heb daarvoor gedacht aan Erasmus, die in de inleiding van de libero arbitrio5 ook over het gezag der kerk te spreken komt. En ’k heb daarover geschreven aan prof. Huizinga6 - maar deze antwoordde, dat hij Erasmus al enige jaren had laten rusten en over dit punt geen aantekeningen bezat. Overigens is de inleiding van de libero arbitrio typisch genoeg. In ieder geval merk ik wel, dat er aanmerkelijk meer werk verzet moet worden, dan ik naievelijk had gemeend! Met vriendelijke groeten ook voor mevrouw en de meeste hoogachting, uw dw.

J. Koopmans.

(AN)

Noten

  1. 1

    J. Koopmans, zie brief nr. 456 (22.5.1934), n. 16.↩

  2. 2

    Ioannis Calvini Opera quae supersunt omnia (ed. G. Baum, Ed. Cunitz, Ed. Reuss, Brunsvigae 1863-1900).↩

  3. 3

    Vgl. o.a. ON, ‘Het kerkelijk dogma’ (VW 2, 177) en Herschepping (VW 2, 236v.).↩

  4. 4

    Lat.: doorbreken.↩

  5. 5

    Tegenover Luthers conceptie van ‘de knechtelijke wil’ in De servo arbitrio (1520) stelde Erasmus ‘de vrije wil’ in zijn De libero arbitrio (1524).↩

  6. 6

    J. Huizinga (1872-1945), hoogleraar te Groningen 1905 en Leiden 1915, verwierf zich internationale faam als historicus door zijn Herfsttij der Middeleeuwen (Verzamelde Werken III, 1-435); hij schreef ook Erasmus (Haarlem 1924; Verzamelde Werken VI, 1-194).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 468. O. Noordmans aan P.H.Th. StevensLaren Gld.470. J.H.C. Kamsteeg aan O. Noordmans →