705. J. Koopmans1 aan O. Noordmans
Amsterdam, 4 februari 1943
Hooggeachte Dr. Noordmans,
Van collega Dijkstra2 hoor ik, dat u zondag jl. 70 jaar geworden bent.3 Hoewel enkele dagen te laat, wil ik toch niet helemaal achterblijven met mijn gelukwens. Van harte hoop ik, dat het u en de uwen wel moge gaan in de bittere tijd, die wij lijden moeten. Ik weet, dat het u in het bijzonder ook zwaar valt, dat u het ambt zult moeten neerleggen. Inderdaad is het ambt, en met name de preek, een van de zeer weinige dingen in onze tijd, waarin een mens zijn vermoeidheid te boven komen kan. Wij hebben niet zoveel meer van elkaar gemerkt, sinds ik de NCSV verliet4 en vanzelfsprekend minder mobiel werd. Het gaat ons hier goed, al klemmen de voedselproblemen nog wel iets meer dan op het land. Eigenlijk zou ik zo graag weer dorpsdominee geworden zijn - maar het mocht niet lukken. En nauwelijks was ik een jaar hier, of ik moest het wijkwerk weer tijdelijk loslaten. Van Bruggen, de vaste voorzitter van de kerkeraad, werd gegijzeld;5 intussen was ik vast scriba geworden6 en moest toen invallen voor het centrale werk op het kerkeraadsbureau. Vooral inzake de Joodse kwestie is het een drukke bezigheid geweest.7 Een enkele keer spreek ik Henk Bartels,8 en hoor dan wel eens over u. Hij vertelde, dat u eens gezegd hebt, dat het nu geen tijd is om te theologiseren. Dat is wel waar! Maar het is toch wèl een tijd voor de theologie! Ontvangt u met mevrouw onze hartelijke groeten en beste wensen, uw
J. Koopmans.
(AN)