731. O. Noordmans aan P. Scholten1
Laren (G.), 16 juni 1944
Hooggeachte prof. Scholten,
Hierbij kom ik u, mede namens mijn vrouw, danken voor het bewijs van deelneming in onze smart.2 Het was niet door oorlogsgeweld - het was erger. Het is een moeilijke tijd voor jonge mensen, reeds in ’t algemeen. Voor mijn zoon kwam er een persoonlijke teleurstelling bij, die in de week voor Pinksteren haar definitief beslag kreeg. Z’n zenuwgestel was de laatste tijd merkbaar geschokt, maar wij hadden geen vermoeden dat zijn toestand zo precair was. Hij heeft zijn isolement niet kunnen dragen. Voor ons was de slag verbijsterend. Dit leed heeft het vroegere, waarover ik u in een vorige brief schreef, verslonden. Mijn heengaan uit het ambt kan nu in een stemming van verzoendheid plaats hebben, die ik anders niet zou gevoeld hebben. Daarmee bedoel ik niet, dat ik mij los gemaakt zou gevoelen van het ambt of van het leven. Gebroken voel ik mij niet, maar geraakt door de goddelijke wil, zodat ik menselijke gedragingen in een groter samenhang zie ingeschakeld. Het medeleven van vele gemeenteleden was zo ontroerend, hun droefheid zo op de onze gelijkend, dat alle bitterheid werd weggenomen en de goddelijke barmhartigheid ons daardoor in ons leed omvatte, ook mijn zoon, ja hem allermeest. Dr. Beerens,3 die mijn zoon had aangenomen, leidde de begrafenis en deed dat op de stralende zomerdag van 31 mei zo treffend en geweldig, dat wij er onder tot rust kwamen. 25 juni hoop ik afscheid te preken. Dr. Beerens had een attaque, een week na de begrafenis, gelukkig niet zwaar. Zo raakt ons de goddelijke wil en voegt ons onder het kruis. Mijn vrouw en ik hebben het te dragen met zo vele ouders in deze ontzaglijke tijd. En Gods wil is enkel barmhartigheid. Met onze groeten, uw
O. Noordmans.
(APS)