473. O. Noordmans aan P. Scholten1
Laren (G.), 7 november 1934
Hooggeachte Professor,
Toen ik deze zomer te Arnhem u dankte voor de toezending van Uw Beginselen van Samenleving,2 had ik nog niet de tijd kunnen vinden om het rustig te lezen. Sedert is dat wel het geval geweest. Ik heb genoten van dit mooie, rustig voortschrijdende betoog, dat voor mij een paradigma is van Nederlandse trant. Ik ben u dankbaar voor de wijze, waarop u hier opkomt voor onze kostelijkste geestelijke en nationale goederen. - Zo als u in de eerste lezing de universalistische leer geheel laat gelden voor de communio sanctorum,3 maar haar voor het aardse leven beperkt met het oog op de individu, de staat en het wezen der gemeenschap. Om er dan op te wijzen, dat wij verbonden zijn door wat boven ons ligt. Alleen in de dood (gelukkig van Christus) zijn wij op aarde restloos één. U zult kunnen begrijpen dat uw beroep op Augustinus mijn bijzondere aandacht trok. Ik constateerde dat u het ‘remota justitia’4 ook categorisch en niet hypothetisch opvat (p. 27).5 Een aardige parallel trok mede mijn aandacht, die tusschen het ‘Je l’ignore’ van Rousseau op p. 96 en het ‘nescio’7 van Augustinus op p. 48.8 Zou er afhankelijkheid bestaan bij de eerste? Bij uw analyse van de redenering van Augustinus op p. 49 kwam een vraag bij mij op. U schrijft - laatste regel van p. 4 -: ‘hij vult de abstractie met leven.’9 U werpt daarbij Descartes met Kant op een hoop. De neo-kantiaanse philosophie heeft dat in ’t begin ook gedaan; later niet meer. Is er geen reden om Descartes en Spinoza nog tot de wereld van Augustinus te rekenen? Ook het ‘cogito ergo sum’,10 deze ‘preuve bifurque’11 zoals een fransman het genoemd heeft, waarbij het ene been van de vork in het denken en de andere in het leven wijst? Dat is hier echter een ondergeschikte kwestie. De hoofdvraag is voor mij of wij bij de zo sterk psychologische benadering van het leven in de wereld van Augustinus altijd gunstiger komen te staan dan bij de meer logische in de wereld van Kant. Of de vulling van de abstractie ‘met leven’ ook gevaar oplevert voor naturalisme. - Geheel met u verenigd ben ik, als u aan ’t slot van de tweede lezing schrijft: ‘Alleen het geloof in de Schepper, die tegelijk is de Vader, bindt zijn en behoren.’12 In verband met het bovenstaande trok mij Uw mooie beschouwing op p. 58,13 over het verschil in manier bij de Katholieke kerk en het staatsleven. De eerste vult de abstractie van het ‘gezag’ met leven; de priester in levende lijve, als tussenpersoon, heeft heilig gezag. In het staatsleven is dit niet het geval; was dat althans niet zo. De vraag kwam bij mij op, wat voor het christelijk geweten het gevaarlijkst geacht moet worden. Of wij vooruit, door de moderne staat heen moeten, of terug naar de Katholieke kerk. U blijft het tenslotte zoeken in de communio sanctorum, die het recht van boven beinvloedt, en waarin de justitia niet remota is. Daarom acht ik deze lezingen van grote betekenis. Ik dank u nogmaals zeer voor wat u daarin gegeven hebt en voor de toezending van een exemplaar. Tegelijk hiermee zond ik aan uw adres een werkje van mijn hand getiteld Herschepping. Ik hoop dat u het als een bewijs van hoogachting zult willen accepteren. Met de meeste hoogachting, Uw dw.,
O. Noordmans
(APS)