Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

474. P. Scholten1 aan O. Noordmans

Amsterdam 8 november 1934

Hooggeachte ds. Noordmans,

Mag ik u vriendelijk dank zeggen, zo voor uw brief2 als voor de toezending van uw Herschepping. Uw oordeel over mijn boekje3 deed mij oprecht genoegen. Ik heb in uw arbeid een sterke verwantschap gevoeld met mijn eigen werk, uw oordeel daarover heeft voor mij een bijzondere waarde. Ik volg uw werk reeds geruime tijd met gespannen aandacht, zowel voor eigen geestesleven als voor de grondslagen van mijn werk - die toch tenslotte in de theologie liggen - heb ik er veel aan gehad. Ik hoop daarom ook van uw nieuwe boek een ernstige studie te maken. U vindt wel goed dat ik uw voorbeeld volg en er nu niets meer over zeg, maar er op terug kom als ik het door heb genomen. Wat uw vraag over de verhouding Augustinus-Descartes4 betreft, misschien hebt gij gelijk, ik moet er nog eens over denken, maar blijft het bezwaar van Voetius5 tegen Descartes in wezen niet juist en ligt hier niet een kloof? Intussen ook mijn vriend Van der Waals,6 aan wiens oordeel over vragen van wijsbegeerte ik hecht, meende dat ik Descartes niet geheel recht had gedaan. Ik moet het nog eens nagaan. Nogmaals dank en vriendelijke groeten. uw

Scholten.

(AN)

Noten

  1. 1

    P. Scholten, zie brief nr. 410 (5.3.1932), n. 2.↩

  2. 2

    De brief nr. 473 ( 7.11.1934).↩

  3. 3

    Beginselen van Samenleving (voordrachten gehouden op uitnodiging van het Leidsch Universiteitsfonds) (Zwolle 1934); in Verzamelde Geschriften I, 30-379.↩

  4. 4

    Scholten ziet bij Augustinus dezelfde methodische twijfel als bij Descartes en wijst op de uitspraken van Augustinus als: ‘Scis esse te? Scio. Unde scis - nescio. Si fallor? sum’ en ‘Habemus interioris hominis sensum ibi me et esse et hic nosse certus sum et hic amo et amare me similiter certus sum. Wij hebben een innerlijk gevoel waar ik zeker ben èn dat ik ben èn dat ik dit weet en dit heb ik lief en tegelijk ben ik zeker van dat liefhebben’, VS I, 359.↩

  5. 5

    Scholten merkt op (VS I, 360): ‘Bij Kant en Descartes wordt het denken geïsoleerd. De gereformeerde theoloog Voetius had daartegen reeds bezwaar gemaakt (Descartes Lettres II, 170). Gij neemt, zegt deze tegen Descartes, het cogito ergo sum tot grondslag van uw stelsel, vanuit dat cogito komt gij tot uw voorstelling ‘heldere ideeën’, van daar tot het bewijs van Gods bestaan. In geheel dien tusschentijd, in uw denken van het oogenblik dat ge twijfelt tot uw conclusie, zijt ge zonder God, uw lezers die uw betoog volgen en aannemen verkeeren in hetzelfde geval, dus zijt gij en zij verloren...heeft hij in het wezen der zaak niet gelijk? Het principieel terugtrekken van het ik op het denken alleen en een betoog van daaruit is het niet een verloochening van God en ook van de naaste?’↩

  6. 6

    J.D. van der Waals jr. (1873-1971), hoogleraar in de theoretische natuurkunde, eerst RUG, later UVA.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 473. O. Noordmans aan P. ScholtenLaren Gld.475. O. Noordmans aan K.H. Miskotte →