Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

579. O. Noordmans aan P. Scholten1

Laren (G.), 17 februari 1937

Hooggeachte Professor Scholten,

In de notulen van onze laatste vergadering schrijft dr. Evenhuis2 dat de clausule omtrent de ouderling is vastgesteld.3 Dat is, volgens mijn mening, onjuist. We hebben de zaak aangehouden. De bedoeling van dit schrijven ligt echter nog meer hierin, dat ik uw aandacht nog eens opzettelijk wilde vestigen op het precaire van dit punt. Ik zou het jammer vinden als het, buiten het accoord om, bij meerderheid van stemmen werd doorgezet. Wat mij betreft zou ik dan bezwaren krijgen tegen een Ontwerp waaraan ik mij nu reeds enige jaren zozeer heb laten gelegen liggen. Laat mij mijn argumenten hier nog eens aan uw onpartijdig oordeel mogen aanbieden. Althans enkele daarvan. Ik ga er van uit dat het er toch om te doen is, in hoe zachte of zelfs bedekte vorm ook gezegd, een toezicht van de ouderlingen op de predikanten in te voeren. Dit zou hun opzettelijk opgedragen zijn als een van hun plichten. Nu is er voor Opzicht en Tucht een afzonderlijk reglement. Beide zijn opgedragen aan de kerkelijke vergaderingen in haar geheel. Het opzicht is niet gereglementeerd; de tucht wel. Het opzicht gaat over allen, de tucht over de lidmaten. De tucht van de kerkeraad gaat niet over kerkeraadsleden. Het toezicht kan ook onderling zijn, maar dit is ongereglementeerd en nooit opgedragen aan een deel daarvan. Bij art. 28 waarmee wij ons thans bezighouden4 zijn we in een heel andere sfeer. Daar gaat het over prediking, liturgie, sacramenten en herderlijke zorg. In de Lutherse kerk was dit in z’n geheel aan de predikanten opgedragen. Bij de Hervormden heeft de predikant ten opzichte van prediking, liturgie en sacramenten, geen ambtgenoot; alleen heeft hij die bij de herderlijke zorg in de ouderlingen. Hier is geen plaats voor een opdracht aan ouderlingen om op de predikanten toe te zien. Het zou een kerkrechterlijke anomalie zijn. De kwestie ontstaat met de woorden van het formulier. Bij de confessionelen heeft zich in de 19e eeuw vastgezet, dat de ouderling daarom op de leer moet zitten. Maar het formulier moet historisch bezien; er zit allerlei in. Het formulier belicht de geestelijke zijde, niet de kerkrechterlijke. Geestelijk is er altijd wederkerige tucht, kerkrechterlijk niet. Tenslotte heeft ieder gemeentelid, volgens het algemeen priesterschap der gelovigen toezicht op ieder ander. ook op de predikant en deze merkt dat dagelijks. Hij is ‘victime perpetuel’, zoals Vinet dit noemde.5 Maar het toezicht wordt aan gemeenteleden niet opgedragen en evenmin kan het de ouderling opgedragen worden. Het zou een dwaasheid zijn hem ambtelijk een toezicht op het predikantenambt toe te leggen. Hij is collega van de predikant in de herderlijke zorg, daarin gaat zijn ambt restloos op. Daaruit kan toezicht emaneren. Maar dat is ongereglementeerd evenals de eigenlijke pastoraal. Op het toezicht rust weer de tucht. Deze is gereglementeerd en daarbij zijn de kerkeraadsleden aan elkaar onttrokken. Voor 1816 was het toezicht op de leer nog speciaal aan de predikant toevertrouwd. Het presbyterie te Genève had geen macht over de predikanten; deze stonden onder de raad der stad. Natuurlijk is er een weg, waarin het toezicht dat ieder gemeentelid heeft en ook de ouderling, effectief kan worden. Maar dan gaat het buiten de lijn van de normale ambtsbekleding. Dan is de weg der klachten altijd open. Maar dit wordt niemand opgedragen en aanbevolen. De onderlinge censuur in de kerkeraad, die er in de gereformeerde kerk voor 1816 geweest is, tot schorsing van predikanten toe, kennen wij niet meer. En ook deze was niemand opgedragen; ze berustte bij de kerkeraad. Ook politieke heren bemoeiden zich er toen mee. Met het oog op dit alles zou ik het erg jammer vinden als er, om Prof. Haitjema argumenten te verschaffen bij de verdediging van het reglement in confessionele kringen, een paar woordjes zouden worden binnengeloodst in het Algemeen Reglement, die de natuur van de presbyteriale orde geweld zouden aandoen. De verantwoordelijkheid van de ouderling is geestelijk, niet kerkrechterlijk op dit punt. Hij is ook geen vertegenwoordiger van de gemeente, tegenover de predikant. Dat is in de Lutherse kerk tijdelijk beproefd. Bij ons is het presbyterie een raad der kerk om te trachten de prediking in het leven der gemeente effectief te maken. Vergeef mij, dat ik zolang uw aandacht vroeg. Wilt u mijn argumenten nog eens overwegen? Hoogachtend, met beleefde groet, Uw dw.

O. Noordmans.

(APS)

Noten

  1. 1

    P. Scholten, zie brief nr. 410 (5.3.1932), n. 2.↩

  2. 2

    R.B. Evenhuis, 1e secretaris van KH; zie brief nr. 399 (2.6.1931), n. 7.↩

  3. 3

    Een vergadering van de commissie van contact.↩

  4. 4

    Art. 28 van het ontwerp.↩

  5. 5

    ‘Le ministre est une victime permanente, il doit l’être’, Alexandre Vinet (1797-1847), Théologie pastorale ou théorie du ministère évangélique (Paris 1850), 22.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 578. J. Lindeboom aan O. NoordmansLaren Gld.580. O. Noordmans aan K.H. Miskotte →