Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

698. O. Noordmans aan P. Scholten1

Laren (G.), 9 januari 1943

Zeer geachte professor Scholten,

Voor uw goede wensen bij de intrede van 19432 zeg ik hierbij hartelijk dank. Wederkerig wens ik mevrouw en u een gezegend jaar. Deze dingen hebben thans een andere maat dan vroeger vaak. Hier is alles wel. Onze dochter in Den Haag heeft wegens evacuatie moeten verhuizen. Persoonlijk kom ik dit jaar voor de lastige vraag, hoe ik met m’n emeritaat aan moet. De voorstellen zijn aangenomen.3 Het is echter vrijwel onmogelijk een onderkomen te vinden en vond men iets, dan komt het huis van een emeritus in aanmerking om gevorderd te worden. Bovendien heb ik hier een zoon op ’t gymnasium en de student is nog niet klaar. Een ware puzzle, nog afgezien van de omstandigheden. Wat uw vraag betreft naar aanleiding van Kuypers kerkbegrip zou ik het volgende willen opmerken. De beschouwing van geestelijke verschijnselen zoals kerk en wetenschap als organisme is een tijd lang zeer ‘en vogue’ geweest. Zo heeft men ook de bijbel als een organisch geheel willen beschouwen. Kuyper deed dat in zijn Encyclopaedie4 voor de wetenschap der theologie. Bavinck, als hij in zijn Dogmatiek5 spreekt van de regering der kerk, voor de kerk. De verschuiving, die daarmee in het calvinistische denken heeft plaats gehad, bleef niet onopgemerkt. Ik denk bijv. aan Oud en Nieuw Calvinisme van Ds. C.B. Hylkema in 1911.6 Nu spreekt Paulus ook wel over de kerk als een lichaam.7 Maar op een andere plaats spreekt hij er van als een gebouw, dus mechanisch.8 In ieder geval kan men de toepassing van het begrip ‘organisch’ op geestelijke verschijnselen als kerk en wetenschap niet als een eenvoudige toepassing van een bijbelse figuur beschouwen. Het is een soort school, zoals er ook een ‘historische’ school geweest is. Daarbij zijn allerlei invloeden merkbaar geweest en het is werkelijk niet gemakkelijk precies te weten hoe dat zit. In de 19e eeuw is het begrip ‘leven’ sterk naar voren gekomen en komt daarmee tegemoet aan de oudste christelijke eeuwen. Dat is te merken aan de manier waarop de belijdenis der kerk wordt opgevat; minder juridisch. Ook aan de plaats die men aan de kerk toewijst in de geestelijke realiteit, minder ambtelijk. Ook de liturgische beweging reikt aan de eerste eeuwen de hand. Daarbij komt een zeker realisme naar voren, dat Rome en Genève niet kenden. De kerk wordt minder redelijk; het Woord verliest zijn betekenis in zekere mate. Nu is Kuyper overigens ten opzichte van de kerk en in ’t algemeen wel op zijn hoede voor ‘Verflauwing der grenzen’. De kerk als organisme drijft bij hem haar wezen buiten de kerk als instituut (vgl. bijv. Encyclopaedie, II 536). Deze laatste wordt aan alle kanten omspoeld door de uitingen van de kerk als lichaam van Christus, het leven gewekt door de wedergeboorte. De belangstelling, die Kuyper voor dat leven uit de wedergeboorte koesterde, is althans in haar uitbreiding over het hele levensterrein en wat betreft haar intensiviteit wel modern te noemen tegenover de reformatoren. Wie de grote redevoeringen van Kuypers grote tijd kent, zal dit moeten beamen. Daarin bracht hij ten gehore hoe in de christelijke eeuwen het christelijke leven, naar Gods raad, als een zich verbredende en verdiepende stroom, van Oost naar West rolt. In zijn Gemeene Gratie9 heeft Kuyper daarvoor ook de theorie zoeken te geven. Hij zat met zijn hart veel meer bij de kerk als organisme, dan bij het instituut. Aan de geïnstitueerde kerk heeft Kuyper geen rechte impuls weten te geven. Hij heeft de Hervormde Kerk uiteengerukt en de Gereformeerde Kerken bleven een fragment. Hij was niet vroom genoeg om kerkvorst te kunnen worden. - Bavinck laat de kerk als organisme en die als instituut meer dooreenlopen en is daarin meer gereformeerd op gewone wijze. Hij vermijdt de scheiding van beide opvattingen der kerk. Hij loopt minder gevaar dan Kuyper om door hypertrofie van de kerk als organisme het leven van de kerk als instituut te verburgerlijken en ineen te doen schrompelen. Beiden, Bavinck en Kuyper, kenden de kerk als instituut goed genoeg, om aan de ergste gevaren van een organische beschouwing het hoofd te kunnen bieden. Ook Kuyper kon dat wel. Hij bleef theoloog en werd geen bioloog. Wat mijn eigen opvatting nu betreft, geloof ik dat wij met het begrip ‘organisch’ heden ten dage erg voorzichtig moeten omgaan. Het gereformeerde leven heeft altijd wel gehad wat Kuyper er ook wel mee bedoelt: het had veel kerk buiten de kerk, in huis en hart. Maar dit behoeft toch niet al te ‘organisch’ te worden opgevat. Dit gebied heeft ook zijn instellingen, analoog met die van het kerkelijk instituut, ofschoon er verschil blijft. Maar het leven, dat Kuyper ‘organisch’, wedergeboren noemt, moet onder beslag van het Woord blijven. Het blijft van boven geboren worden. De geestelijke gaven zijn charismata en komen niet vanzelf uit het christelijk leven op. Het Woord dat tot leven wordt is in de gelovigen aan bederf onderhevig en dit is het geval naarmate het verder van Woord en Sacramenten verwijderd raakt. Ik hoop, dat deze opmerkingen uw bedoeling min of meer geraakt hebben. Met vriendelijke groet, ook aan mevrouw, hoogachtend, uw dw.

O. Noordmans.

(APS)

Noten

  1. 1

    P. Scholten, zie brief nr. 410 (5.3.1932), n. 2.↩

  2. 2

    Zie brief nr. 697 (4.1.1943).↩

  3. 3

    Nadat de voorstellen opnieuw waren onderworpen aan de consideraties van Provinciale Kerkbesturen en Classicale Vergaderingen en wijzigingen in het geheel waren aangebracht, werd de eindredactie vastgesteld in de synode van oktober 1942 (Hand. Syn. 1942, 153-169). De gewijzigde reglementen werden op 1.1.1943 van kracht. Dit hield voor Noordmans in dat hij werd gedwongen aan het eind van zijn 40e dienstjaar met emeritaat te gaan.↩

  4. 4

    A. Kuyper Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid 3 dln. (Kampen 1893/94).↩

  5. 5

    H. Bavinck Gereformeerde Dogmatiek (Kampen 19304) dl. IV, hfd. IX, 54 ‘De Regeering der Kerk’, 309sq.↩

  6. 6

    C.B. Hylkema (1870-1948) Oud en Nieuw Calvinisme, een vergelijkende geschiedkundige studie (Haarlem 1911).↩

  7. 7

    Zie: 1 Kor. 6 en 12; Rom. 12:4,5 en 1 Kor. 10:17.↩

  8. 8

    Zie 1 Kor. 3:9,10; Ef. 2:21.↩

  9. 9

    A. Kuyper De Gemeene Gratie: I. Het geschiedkundig gedeelte; II. Het leerstellig gedeelte; III. Het practische gedeelte (Amsterdam 1902-1904).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 697. P. Scholten aan O. NoordmansLaren Gld.699. R. Dijkstra aan O. Noordmans →