Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Lunteren

Weergave
Passages naar Readwise sturen

756. O. Noordmans aan P. Scholten1

Lunteren, 31 december 1945

Hooggeachte prof. Scholten,

Dit jaar wil ik niet beëindigen zonder uw schrijven van 9 december2 te hebben beantwoord. Laat mij mogen beginnen met mevrouw Scholten en u bij de jaarwisseling alles goeds te wensen. Dat u ongesteld was, weet ik, maar kende de bijzonderheden niet. Gelukkig dat u weer aan ’t werk kondt gaan. Wij zijn eind september naar hier gekomen; onze zesde verhuizing sedert 4 november 1944, toen wij de pastorie te Laren moesten ruimen. Deze is bij de bevrijding een puinhoop geworden. Hier hebben wij enkele kamers betrokken, terwijl ik mijn bibliotheek weer kon opstellen. Wij zouden graag weer een eigen huis hebben in de omgeving van Utrecht. Mijn zoon, die van mei 1943 - mei 1945 moest ‘onderduiken’, is pas geslaagd voor staatsexamen gymnasium A en zal nu een faculteit moeten kiezen. Dat u mijn gelukwensen bij uw 70ste verjaardag niet eerder beantwoordde had ik reeds in verband gebracht met uw drukke werkzaamheden. Wel heb ik even gedacht aan mijn uitlating in verband met Kraemer,3 maar ik meende u genoeg te kennen om dit vermoeden dadelijk te laten vallen. Daarom deed het mij genoegen, dat u er toch nog even op terugkomt en mij daardoor gelegenheid geeft hetzelfde te doen. Het gevaar van de actie-Kraemer is m.i., dat het een onderneming wordt, met een te concreet doel voor ogen; een te politieke beweging derhalve, met teveel ‘states-manship’, zoals Kraemer het zelf noemt,4 geleid. Dat was de fout van Kuyper en het is voldoende gebleken en het blijkt nu weer, dat de kerk daarbij denatureert. Onze onhandige Nederlandse Hervormde Kerk heeft na 1886 veel meer geestelijke gaven ontvangen dan de Doleantie. De kerk kan allerminst tegen het optreden van een leider. Zij mag geen beweging worden; geen Nederlandse volksbeweging. Wanneer zij in het zog van een dergelijke politieke actie wordt meegezogen; als dezelfde figuren, die daar ontstaan, ook in de kerk zich gaan aftekenen; als de samenstemming van christen en humanist in de staat een parallel krijgt in het verdwijnen van de tegenstelling van orthodoxie en ketterij, dan is dat een reden tot bezinning. De kerk wordt alleen door de Heilige Geest geleid en de gaven des Geestes zijn incidenteel. Zij hebben dat verbazingwekkende en onverwachte wat men in een beweging nooit vindt. De Roomse kerk heeft wel een paus, maar zij is nooit een beweging geweest. De kerk lijkt meer op een zee, dan op een rivier. De energie der kerk is maar voor een heel klein deel actueel. De potentiële energie is echter verbazingwekkend, omdat zij van Christus en het blazen van de Geest afhangt. De Gereformeerde Kerken hebben, onder Kuyper, hun krachten verbruikt en zij staan nu achter, wat de mogelijkheden betreft, bij de Hervormden. Onze kerk liet zich in 1886 niet op sleeptouw nemen en dat is de eigenlijke goede reden, waarom zij niet met de Doleantie is meegegaan. Zij leek toen de geestelijk mindere, maar werd daardoor de meerdere. Er bleef plaats voor geestelijke gaven. Ons predikanten-corps ken ik wel een weinig. Het leent zich in de laatste jaren gemakkelijk voor een actie. Ineens zijn ze weer allemaal gelijkgeschakeld. Het ambt wordt daarbij gesaeculariseerd. Het is geen schildwacht voor de eeuwigheid, zoals Calvijn5 het uitdrukte, maar ‘doet ergens aan mee’. Nu is er in Gravemeijer6 een officiële propagandist benoemd, die automatisch is uitgenodigd bij iedere kerkelijke vergadering. Men heeft, ter Synode, deze benoeming incidenteel genoemd, maar daarmee is de zaak niet opgehelderd. Van Walsum7 betoogt in de Synode dat de Commissie voor Kerk en Maatschappij de plaats zal innemen, die vroeger een politieke partij bekleedde. Nu gaat het er in onze tijd om, met alle krachten, ook op ongewone wijze, de chaos meester te worden. In zoverre mag alles incidenteel heten. David at een keer van de toonbroden. Maar dat zijn individuele gevallen. De kerk in haar geheel kan zich bijv. geen 5 jarenplan veroorloven. Mott8 stelde ± 1911 het parool op: christianisering van de wereld binnen deze generatie. God heeft daarop geantwoord met het jaar of de jaren 1939-1945, de ruwste openbaring van heidendom, die de wereld gekend heeft. Als ik daarom van een politieke beweging spreek, bedoel ik in de eerste plaats kerkelijke politiek. Maar als de kerk zelf van statesmanship gaat leven, dan wordt zij ook met de staat gelijkgeschakeld. Zij gaat zich mengen in de praktische politiek, geeft koloniale adviezen. De Synode is blijkbaar ten opzichte van dat laatste reeds op haar hoede geweest. Dit is te prijzen. Want als zij tot een ‘rechter of scheidsman van deze dingen’ (Luk. 12:14) wordt, verliest zij haar onschendbaarheid. De actie-Kraemer kan uitlopen op een avontuur, waarbij de kerk op gevaarlijke wijze wordt betrokken in wereldse aangelegenheden. Ik heb gelezen, dat een aantal christelijk-historischen verlangt dat er een interkerkelijke instantie of commissie zal worden gevormd, waartoe de regering zich in bepaalde gevallen heeft te wenden. Nu heeft Hoedemaker en hebben de gereformeerden in ’t algemeen deze gedachte ook wel. Maar zij zouden van het interkerkelijke geschrokken zijn. Het is een profetische functie en van een interprofetisch beraad heeft de wereld nooit geweten. Deze dingen zijn misschien wat te stellig en te exclusief gezegd. Maar in hoofdzaak ligt hier voor mij wel een lijn van denken uitgestippeld, die niet samenvalt met de Kraemer-lijn. Kraemer zet, tijdelijk althans, het kerkelijk denken stil. Hij wist, tijdelijk althans, de kerkelijke grenslijnen uit. Hij wil terug op een embryonaal geestelijk leven en op een intuïtief bepaalde kerkelijke praktijk. Deze hebben in de kerk hun recht. Maar slechts in zeer bescheiden mate. Kraemer wil in de kerk ‘zijn gang gaan’ en dat mag niet. Dan ontstaat er een beweging, die te veel van het embryonale in zich heeft en roofbouw pleegt op de potentiële vermogens der kerk. Zij leidt dan tot een snelle, wat overspannen ontwikkeling, waarbij lastige hindernissen als bijv. het dogma in looppas worden genomen. Daarvoor is een zekere graad van nihilisme nodig: een bewuste en uitgesproken en gewilde afwezigheid van geldigheden. Ook een bruusk voorbijlopen en desnoods terzijde schuiven van anderen, die minder embryonaal of nihilistisch gestemd zijn. Ik kan het heus niet helpen als ik daarbij soms denken moet aan het avontuur-Hitler. Een zelfde combinatie van concrete doelstellingen-in-snel-tempo met een onbepaalde einduitkomst; een soortgelijke verabsolutering van de beweging. Evenals daar, mobilisatie van de jeugd en devaluatie van de ouderdom; afwezigheid van discussie binnen de beweging zelf; in plaats daarvan boodschappen en afkondigingen aan ‘abgeordnete Männer’, die nergens voor afgevaardigd zijn. Mij hinderen - als ik persoonlijk mag zijn - vooral in de godsdienstoefening de afkondigingen. In de oorlog heb ik ze, omdat ze incidenteel nodig waren, afgekondigd. Nu maken ze op mij de indruk van storingen in de dienst. Intuïtief weet ik dat ze embryonaal rooms zijn en omdat Rome nooit een beweging kan zijn, erger dan rooms. Het zijn programma’s van een beweging. - Mijn opmerking bij uw 70ste verjaardag bedoelde te zeggen, dat wij in 1938 anders stonden. Wij zijn gelikwideerd door de oorlog, dat is door God. Maar dat verplicht ons niet om zonder kritiek te aanvaarden wat er voor in de plaats kwam. Mijn brief wordt te lang en ik moet eindigen. Maar u hebt mij nog gevraagd naar Woord en Wereld. U was in een vroeger schrijven, het laatste uit Hulshorst, dit voorjaar, nog al pessimistisch ten opzichte van een voortzetting. Ik heb de afleveringen niet meer. De Canadezen hebben de kast, waarin ik ze bewaarde, geforceerd en de inhoud verstrooid. Ik zou dat kunnen beschouwen als een teken, dat het moet ophouden. Toch lijkt het mij wel jammer de ‘goodwill’ die er in zat te laten gaan. Er zal echter veel spanning in onze groep ontstaan zijn. Vroeger reeds vond ik de wijze waarop Kraemer de leiding nam in de redactie, door voor de inhoud der artikelen een program op te stellen, samen met Stufkens, te ver gaan. Ik wens niet onder leiding te schrijven, maar te zeggen wat God mij ingeeft. Laat mij mogen eindigen met wat eigenlijk aan het begin had moeten staan. Deze uitingen doen niets af aan de eerbied, die ik heb voor de persoon van Kraemer en voor de buitengewone gaven, die God hem geschonken heeft. Hij is iemand die geschiedenis maakt. Maar daarom juist moet men toezien. Een fout, die Kraemer maakt, heeft gevolgen. Moge dit genoeg zijn ter verantwoording van mijn ietwat onvoorzichtige uitdrukking in een vorige brief. Met beleefde groet, uw dw.

O. Noordmans.

(APS)

Noten

  1. 1

    P. Scholten, zie brief nr. 410 (5.3.1932), n. 2.↩

  2. 2

    De brief nr. 754 (9.12.1945).↩

  3. 3

    Heeft betrekking op een uitspraak van ON over Kraemer in brief nr. 754 (9.12.1945).↩

  4. 4

    Zie de brieven nr. 722 (25.4.1944) en nr. 758 (10.3.1946).↩

  5. 5

    Calvijn, Inst. III.9.4. Vgl. ON, “De Leer van God de vader in de Nederlandse Geloofsbelijdenis” VW 2, 369: ‘Zonder, zoals de dopersen, een greep te kunnen doen naar het hemelleven, wilden de gereformeerden toch als schildwacht staan voor de eeuwigheid.’↩

  6. 6

    K.H.E. Gravemeijer, zie brief nr. 688 (4.3.1942), n. 12↩

  7. 7

    G.E. van Walsum, zie brief 609 (19.10.1938), n. 5, sprak in de synode op 13 december 1945 over de verhouding van kerk en samenleving, zie Hand. v.d. Gen. Syn. 1945/46, 108-112.↩

  8. 8

    J.R. Mott (1865-1955), Amerikaan. Organisator op het gebied van internationaal studentenwerk, zendingswerk en oecumene. Hij was o.a. voorzitter van de wereld-zendingsconferentie te Edinburgh (1910).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 755. O. Noordmans aan K.H. MiskotteLunteren757. J.H. Semmelink aan O. Noordmans →