Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

576. O. Noordmans aan P. Scholten1

Laren (G.), 1 februari 1937

Hooggeachte Professor,

Sedert ik u schreef had ik de gelegenheid de oude kerkenorde’s (1568-1619) door te nemen. Nergens staat ook maar een enkele bepaling, die de ouderling een bijzonder toezicht op leer of wandel van de predikant opdraagt. Kerkeraadsleden (ook diakenen) houden onderlinge censuur voor het avondmaal. Deze bestaat nog. Verder wordt bij het werk van de predikant even gememoreerd, dat hij op ouderlingen en diakenen moet toezien. De ouderling moet dit doen op predikant en diaken. De diaken op predikant en ouderlingen. Dus zuiver onderling: een verder niet gereglementeerde, pro memorie uitgetrokken plicht, die wij nog hebben in ons toezicht, dat evenmin gereglementeerd is. Voor het overige worden leerzaken overwegend aan predikanten opgedragen, die van het leven aan de ouderlingen, samen met de predikant. Een kerkenorde maakt een uitzondering. Maar dat zijn de kerkelijke wetten, die in 1576 door de staten van Holland en Zeeland ontworpen werden en die pas in 1617 zijn gepubliceerd en nooit kracht hebben gehad. De staten wilden, dat de magistraat ouderlingen zou aanstellen ‘dewelke den Herders in Kerkelyke saeken hulpsamig, en hare byeenkomsten by sullen syn: op dat, of ‘er iet waere ’t welke de Overigheden dienden te weten, syluiden het hunluiden aengeven.’2 Hier is dus de geestelijke politie, die de kerkenorden absoluut niet hebben. Maar deze kerkelijke wetten van de staten bedoelden, aan het hele presbyteriale systeem een vroegen dood te bereiden. Nu hebt u het resultaat van mijn onderzoek, dat ik aan uw welwillende aandacht aanbeveel. Hoogachtend, uw dw.

O. Noordmans.

(APS)

Noten

  1. 1

    P. Scholten, zie brief nr. 410 (5.3.1932), n. 2.↩

  2. 2

    C. Hooijer, Oude Kerkordeningen der Nederlandsche Hervormde Gemeenten (1563-1638) (Zaltbommel 1865), hierin de meest Erastiaanse ontwerp-kerkorde, die ooit is voorgesteld: “Kerkelijke Wetten op last van de Staten van Holland en Zeeland ontworpen in 1576”, 113-131; 125: art. 39: “Van Ouderlingen. De Magistraet van ieder plaetse, sal naer hare menighte veele ofte weinige uit den hunnen verkiesen, mannen die oprecht en in ’t stuk van de Religie niet onervaren syn, dewelke den Herders in Kerkelyke saeken behulpsamig, en hare byeenkomste by sullen syn; op dat, of ‘er iet waere ’t welke de Overigheden dienden te weten, syluiden het hunluiden aengeven, en ’t geene van hun officie in deze wetten op veele plaetsen begrepen is, doen.”↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 575. O. Noordmans aan P.H.Th. StevensLaren Gld.577. A.M. Brouwer aan O. Noordmans →